Gods trouw

© Geert Bles, Heerlen 2007



Het verhaal van een jonge vrouw, die de moed kon opbrengen om te vertellen van haar leven. Het was niet rooskleurig geweest. Als kind had zij nauwelijks liefde ervaren, alleen maar botheid en gesnauw. Ze was seksueel misbruikt en kon haar verhaal nergens kwijt. Ze was hulpeloos en eenzaam geweest. Ze had geen vertrouwen meer in mensen om haar heen en hield contacten af om zichzelf te beschermen. Totdat er en jongen in haar leven kwam, die van haar ging houden, die haar vertrouwen wist te winnen, die door alles heen keek en een diepere schoon­heid ver­moedde, die haar huiver om een relatie aan te gaan en haar aanvankelijk wantrouwen begreep. Hij had geduld en bleef in haar geloven. Hij bleef komen en zij ervoer gaandeweg de kracht van zijn liefde. Zijn liefde vond uitein­delijk de weg naar wat er diep in haar leefde en niet stuk was. Voor het eerst in haar leven mocht zij ervaren dat zij werd gewaardeerd om wie zijzelf was. De schoon­heid, diep in haar verborgen, kwam naar boven, door zijn liefde, door zijn tact, door zijn trouw. Zij liet zich raken door die liefde, vertrouwde zich toe en opende zich voor hem.

 

Echte liefde heeft scheppende kracht, kan helen, kan tot leven brengen. De ander gaat veranderen, innerlijk en uiterlijk, wordt heel en mooi. Wantrouwen en verzet verdwijnen, als sneeuw voor de zon, om plaats te maken voor zach­theid, vertrouwen en overgave. Inderdaad, echte trouwe liefde is in staat om tot nieuw leven te brengen. Zó is God en zó wil Hij met mensen omgaan. "Zoals een jongeman zijn meisje trouwt, zo zal Hij, die u opbouwt, u trouwen", zegt de eerste lezing. Gods relatie met de mens is een lief­desrelatie. Hij raakt in vervoering voor  de mens, die Hij geschapen heeft, omdat Hij in hem/haar ongekende mogelijkheden ziet, die de mens zelf niet onderkent of vermoedt.

 

Zoals het in een huwelijk tussen twee mensen gaat om verantwoor­delijkheid voor elkaar, over trouw aan elkaar, over het in elkaar opgaan in een twee-eenheid die nieuw leven schept, zó wil God een relatie met zijn volk. Uit dat verbond van God met zijn volk ontstaat een andere wereld, een mooiere wereld: Woes­tijn wordt paradijs, leegte wordt volheid, armoede wordt rijkdom, gebogen mensen gaan rechtop, water wordt wijn.

 

God, die een God van leven is, heeft in de mens scheppende mogelijkheden gelegd, mogelijkheden om leven te brengen, om leven te koesteren. Op die mens is God verliefd, zoals een jongen op zijn meisje. Hij houdt van haar om haar schoonheid, om nieuw leven in het verschiet in haar; om de mogelijkheid die zij in zich draagt om nieuw leven te schenken.

 

Dat is het verhaal van de kant van God. Zo stelt Hij/Zij zich zijn relatie met ons mensen voor: een verbond van trouw en liefde met ons. Daarom zitten wij hier in deze kerk onder de kleuren van de regenboog, uiterlijk teken van Gods verbond met ons mensen.  

 

 

Maar wat is het verhaal van onze kant? Wat is ons antwoord op zijn aanzoek?  De mens kan zich laten raken of niet, zich toevertrouwen of niet, zich openen voor God of niet. De mens kan ja zeggen, zijn/haar diepste mogelijkheden optimaal gebruiken om nieuw leven te brengen. De mens kan ook nee zeg­gen, zich afsluiten, niet ingaan op de vraag van God.  'Ik houd u vandaag het leven voor en het geluk, maar ook de dood en het ongeluk' (zegt God tot zijn volk in Deut.), leven en dood houd ik u voor. Kies dan het leven.'  Als een bruidegom vraagt Hij onze hand, vraagt Hij om het jawoord. Hij ziet schoonheid en mogelijkheden ten leven, maar respecteert onze vrij­heid. Hij heeft de mens lief, maar lonkt naar een liefdevolle reactie. Er kan geen liefde zijn, als er geen antwoord is in vrijheid, geen wederkerigheid. 

 

God, die een God van leven is ziet in die mens zichzelf: schep­pende mogelijkheden, mogelijkheden om leven te brengen, om leven te koesteren. Hij ziet in die mens zijn even­beeld, zijn partner in zijn scheppingswerk, zijn hulpe, om dag in dag uit - op de plek waar die mens zich bevindt - zijn droom van 'de nieuwe hemel en de nieuwe aarde vorm te geven, waar geen dood meer zal zijn, geen rouw, geen geween, geen smart.'  God houdt van die mens, omdat die mens de mogelijkheid in zich draagt om alles nieuw te maken, om nieuw leven te schenken.

 

Een andere wereld, een nieuwe wereld is mogelijk. Voor de totstandkoming van die nieuwe wereld heeft God zich afhankelijk gemaakt, willen maken, van ons mensen, van onze omgang met elkaar. Hij gelooft in mensen en heeft het werk van zijn handen aan mensenhanden toevertrouwd.  Hij gelooft in Abraham, in Mozes, in Jezus van Nazareth, in Franciscus van Assisi, in mijn ouders, in mij… en doet zijn aanzoek. En wij beantwoorden zijn vraag aan ons door te geloven dat het mogelijk is om een nieuwe wereld neer te zetten, geloven dat wij het in handen hebben. Daarin bestaat ons antwoord op Gods aanzoek: van elkaar houden. Want God liefhebben en de mens liefhebben is een geheel

 

Pas dán, als dát gebeurt, als de mens zich laat raken, pas dán wordt de woestijn vruchtbaar, wordt water wijn, de oude wereld nieuw, de droom werkelijkheid. Pas dán kan die mens zelf niet anders dan levengevend omgaan met de wereld, met de schep­ping, met zijn/haar medemens. Ja, waar mensen verbondenheid zoeken met elkaar, daar komt God tot leven, daar betreedt men heilige grond.