In Gods Naam

© Geert Bles, Heerlen 2010



God heeft ooit - in de brandende braamstruik - Zijn/Haar naam  (“Ik ben er voor jou”) aan ons gegeven. Hij heeft ons die Naam gegeven om te gebeuren, om geheiligd te worden door ons. Op het moment dat vandaag-de-dag iemand naast de ander gaat staan en zegt “ik ben er voor jou” gebeurt God, gebeurt Gods Naam, wordt Gods Naam geheiligd. En dat zal te zien zijn in die ander: hij/zij gaat rechtop. In beide lezingen van vandaag gaat het over roeping/zending, van Jesaia in de eerste lezing, van Petrus en de eerste leerlingen in het evangelie. Roeping of zending heeft alles van doen met het gestalte geven aan Gods Naam.

 

De eerste lezing eindigt met God die vraagt: “Wie zal Ik zenden, om mijn Naam bekend te maken, wie zal in mijn Naam gaan?” De profeet Jesaia antwoordt: ”Hier ben ik, zend mij.” Hij is er klaar voor om Gods Naam (“Ik ben er voor jou”) te doen, en om mensen op te roepen om Gods Naam te doen: in een visioen heeft Jesaia kracht ontvangen van boven en zijn zijn lippen en hart gezuiverd. En dat is nodig, want een profeet wordt niet altijd geëerd in zijn eigen land, omdat hij zich kritisch uitlaat over bestaande gewoontes, en wetten niet naar de letter maar naar de geest interpreteert. Het gaat om de bedoelingen van God met deze wereld, en die staan vaak haaks op wat mensen willen: Hij wil immers het geluk van mensen.  

 

Leonidas Proano, de bekende bisschop van Riobamba in Ecuador, de eerste Latijns Amerikaanse bisschop van Indiaanse komaf, was een profeet van deze tijd. Van hem is bekend dat hij geen omhaal van woorden kende. Dat was zijn levens- houding en hij verlangde dit ook van zijn medewerkers. Eens kwam hij op bezoek in een afgelegen dorp van zijn bisdom. Hij vroeg met belangstelling aan de catechist, hoe het ging, of er ook moeilijkheden waren. “Nee, totaal niet”, zei de catechist, “het is allemaal pais en vree”. “Dan heb ik zo mijn twijfels of je de boodschap wel goed brengt”, was het antwoord van Proano.  Als de boodschap geen reacties oproept, zegt hij, mag je veronderstellen dat ze niet krachtig en zuiver, maar soft en met omhaal van woorden is gebracht, om de kool en de geit te sparen. Gods boodschap is goed nieuws, maar omdat ze de wereld op zijn kop zet, omdat ze belangen aantast en kritische vragen stelt bij bestaande praktijken, roept ze vaak weerstand op.

 

Toch is dát de enige manier om Gods boodschap te brengen: Ze mag niet afgezwakt worden. Dat is wat Jesaia ervaart, wanneer hij gezonden wordt om als profeet op te treden. In een visioen ziet hij dat Gods engel zijn lippen zuivert met een gloeiende kool en hem geschikt maakt om Gods boodschap uit te dragen. In het evangelieverhaal van vandaag, wanneer Jezus zijn eerste leerlingen roept, gebeurt iets dergelijks. Petrus voelt zich een zondig mens in zijn aanwezigheid, ongeschikt om Hem te volgen. Petrus en de eerste apostelen laten hun vissersboten liggen en volgen hun innerlijke roepstem. Ze zijn  geraakt door de uitstraling van Jezus van Nazareth, en geven zich gewonnen;  hun leven krijgt vanaf dat moment een totaal andere wending; zij gaan zich inzetten voor mensen - als vissers van mensen - zegt het evangelieverhaal. Zij gaan zich inzetten voor een andere wereld, voor ‘deze wereld omgekeerd’.

 

 “Wie zal Ik zenden?” Is het niet zó dat wij onmiddellijk denken “dat is niet voor mij”, en denken aan bijzondere mensen, en vooral aan priesters? Zowel in het geval van Jesaia als in het geval van Petrus en de eerste leerlingen van Jezus -  gaat het toch om gewone mensen, die zich als klein en zondig ervaren, en zich niet geschikt  achten om in dienst te treden van God, om Gods Naam te doen. Maar voelen ook wij onszelf aangesproken, wij gewone mensen zoals wij hier zitten, mannen én vrouwen? Toch heeft in de loop de eeuwen - om wat voor reden dan ook -  de kerk dit verengd ….en dit verhaal uitgelegd als een roeping tot celibatair priesterschap.

 

Wie zal ik zenden?  Het is mijn overtuiging, dat deze zending is weggelegd, niet alleen voor hen, maar voor alle gewone mensen, zowèl mannen àls vrouwen.  Het is mijn overtuiging dat deze verenging tot celibataire mannen, met uitsluiting van vrouwen, in de prediking van de katholieke kerk, tijd- en cultuurgebonden is.

Want in onze westerse samenleving hebben vrouwen hun plek veroverd en gekregen: Wie kent niet Rosa Parks, een eenvoudige zwarte vrouw, die haar plaats in de bus weigerde af te staan aan blanken, en daarom de moeder van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging werd? Wie kent niet Aletta Jacobs de eerste vrouw, die een HBS bezocht, universitair onderwijs volgde en promoveerde tot arts, de vrouw die in het begin van de vorige eeuw vocht voor vrouwenkiesrecht en won? En daarmee het aanzien van Nederland veranderde?  Wie kent niet Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister in ons land? Een politiek zwaargewicht; de algemene bijstandswet is van haar hand.  Voor haar was het een vanzelfsprekende zaak dat de vrouw in beginsel even geschikt was als de man, voor welke functie dan ook.

 

Nogmaals, vandaag is dit geen kwestie meer in ons land, en in de westerse samenleving, maar waarom dan wel in de katholieke kerk? Terwijl je toch eigenlijk anders zou mogen verwachten? Terwijl je toch eigenlijk zou mogen verwachten, dat juist de kerk het voortouw zou nemen, op grond van haar bevrijdende boodschap, die zij zegt uit te dragen? Het evangelie geeft volgens mij geen aanleiding voor die uitsluiting, integendeel.

 

Wie zal Ik zenden?  Zou het werken aan een mooie wereld, aan ‘onze wereld omgekeerd’, ook niet weggelegd zijn voor gewone mensen als wij, zowel mannen áls vrouwen? Waarom zouden ook wij ons niet aangesproken voelen? Het gebeurt toch eigenlijk ook al in onze gemeenschap, zowel op het terrein van de diaconie als op het terrein van pastoraat en liturgie:

Ik zie dat velen geraakt worden door de nood van mensen om ons heen en in actie komen. Wat gebeurde er hier in de kerk verleden week, toen het Armeense gezin, dat tien jaar bij ons gewoond heeft, door de vreemdelingenpolitie van bed gelicht werd om uitgezet te worden? Wij vragen terecht met onze handtekening voor een humanitaire oplossing, in plaats van een rigoureuze toepassing van de wet.

Ik zie dat in onze gemeenschap ook vrouwen gaandeweg een grotere rol zijn gaan spelen in pastoraat en liturgie. 

 

Wie zal Ik zenden? Ja, wij zijn állemaal geroepen om Gods Naam ”Ik zal er zijn voor jou” gestalte te geven in onze wereld vandaag, wij állemaal, zowél mannen áls vrouwen; niemand is onbelangrijk daarin. Zullen we het daar maar bij houden …… en er in de praktijk naar blijven handelen?