20e Zondag door het Jaar

© Mariet Stikkers, Heerlen 2006



Voedsel is een wezenlijk onderdeel van ons leven. Misschien zijn we er meer mee bezig dan we denken of zouden willen. Boodschappen doen, kiezen uit een eindeloos assortiment van producten, de houdbaarheidsdatum in de gaten houden, kijken welke ingrediënten zijn toegevoegd. Wat is goed voor ons lijf? We moeten toch zo gezond mogelijk eten. Misschien hebt u een dezer dagen ook gelezen dat er jaarlijks voor miljarden (miljarden!!!) in ons land aan voedsel wordt vernietigd omdat wij het liefst een houdbaarheidsdatum kiezen die zo ver mogelijk weg ligt. Safe moet het zijn, het gaat immers om onze gezondheid! Dat is toch het hoogste goed! Is dat zo?

 

Het evangelie van vandaag gaat ook over voedsel. En ook over de onmisbaarheid van voedsel.

Het gaat over brood. Brood eten de meeste van ons elke dag. Bij het Onze Vader bidden we: Geef ons heden ons dagelijks brood. Elke dag het brood dat we nodig hebben. Meer hoeft niet. Met onze vaak overvolle koelkasten en diepvriezers zouden we daar eens over kunnen nadenken….. Brood voor elke dag, brood voor één dag is voldoende.

 

Jezus heeft het ook over brood, maar wel op een bijzondere wijze. Hij zegt: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald, wie van dat brood eet zal leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees voor het leven van de wereld’. Wat een wonderlijke taal. Het is nogal voor de hand liggend dat er een discussie ontstaat bij de mensen: hoe kan dat? Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?

 

En Jezus gaat verder: ‘Als je het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, is er geen leven in je! Maar wie mijn vlees en bloed eet en drinkt bezit eeuwig leven’.

Het verband tussen het tot je nemen van spijs en drank en leven is voor ons duidelijk. Hoe vaak zeggen ouders niet tegen hun kinderen: als je niet eet ga je dood. Daarover heeft Jezus het ook, maar het wonderlijke is dat Hij zegt: Ik ben dat brood! Ik ben het brood waarvan je kunt leven en nog wel eeuwig leven. Als je Mij eet, dat wil zeggen mij helemaal in je binnenste toelaat en opneemt, als je je diepste wezen door mij wilt laten raken en bewerken, dan vind je het leven voor altijd.

 

Wat is dat, Jezus helemaal toelaten? Kijken we naar zijn leven, hoe Hij de belichaming was van de liefde van God. Het Woord van God, de Liefde, is in Hem vlees geworden. De mensen konden het aan Hem zien en ervaren: bij Hem gaat het om gerechtigheid en goedheid.

Johannes zegt het al bij het begin van zijn evangelie: ‘In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Het Woord is vleesgeworden en het heeft onder ons gewoond’. In Jezus is het scheppingswoord van God tot zichtbaar en tastbaar geworden. In Jezus heeft God zijn Liefde zichtbaar gemaakt. Jezus ‘eten’, Jezus in jouw lichaam en geest binnenlaten betekent dat je je wilt laten voeden met de liefde van God. En hoe meer je dat doet, hoe sterker en krachtiger je zult worden en hoe meer je omgevormd zult worden tot een mens van liefde.

 

Jezus eten is wat wij hier in onze vieringen als gemeenschap doen. Het is niet een vanzelfsprekend het tot je nemen van het H.Brood en de Beker, maar het is met diep besef dit doen omdat je je bereid wilt tonen de weg van Jezus te gaan en zijn leven en liefde in jou te laten werken.

 

Als gelovige mensen worden wij uitgenodigd met wijsheid en verstand onze levensweg te gaan. Daarover vertelt ons de eerste lezing uit het boek Spreuken: in het huis van de wijsheid mogen we het brood en de wijn nuttigen dat daar wordt klaargemaakt door de wijsheid zelf. Kennelijk zijn er plaatsen in onze wereld waar voedsel verkrijgbaar is waarvan we wijs worden en – zo staat er – zullen léven. Het vraagt om toeleg en bezinning, om onderscheid en aandacht om zulke plaatsen op te zoeken en plaatsen van van on-wijsheid, van niet-wijsheid te mijden. Ik denk dat ook in onze Andreasparochie met zorg naar wijsheid wordt gestreefd en gezocht, naar de wijsheid van de liefde.

 

Daarom zijn we hier rond de tafel van de Heer. Het is het centrum van onze gemeenschap, de plaats waar wij ons kunnen voeden met voedsel dat echt leven brengt.

Dat we in dat besef  de Eucharistie mogen vieren.