Ziekenzondag

© Nan Paffen, Heerlen 2004



Eerste lezing (ivm ziekenzondag)

(gedicht van Marcel Weemaes)

Indien ik je dragen kon over de diepe grachten van je gesukkel en je angsten heen, dan droeg ik je, uren en dagen lang.

Indien ik de woorden kende om antwoord te geven op je duizend vragen
over leven, over jezelf, over liefhebben en gelukkig worden,
dan praatte ik met je uren en dagen lang.

Indien ik vrede in je hart kon planten door geduldig te wachten en te hopen

tot het zaad van vrede in je openbrak,
dan wachtte ik uren en dagen lang.

Indien ik genezen kon wat omgaat in je hart aan onmacht, ontevredenheid, aan onverwerkt verdriet, dan bleef ik naast je staan, uren en dagen lang.

 

Maar ik ben niet groter, niet sterker dan jij,

en ik weet niet alles, en ik kan niet zoveel.

Ik ben maar een vriend op je weg, al uren en dagen lang.

Ik kan alleen maar hopen dat je dit weet:
je hoeft nooit alleen te vechten of te huilen,
als je een vriend hebt voor uren en dagen lang.

 

Overweging

Maar ik ben niet groter, niet sterker dan jij,

en ik weet niet alles, en ik kan niet zoveel.

Ik ben maar een vriend op je weg, al uren en dagen lang.

Ik kan alleen maar hopen dat je dit weet:
je hoeft nooit alleen te vechten of te huilen,
als je een vriend hebt voor uren en dagen lang.

Dat waren de laatste regels van het gedicht van Marcel Weemaes, die me heel erg hebben aangesproken. Het gedicht is gekozen voor de ziekenzondag, die we vandaag vieren, maar het past ook goed bij het evangelie dat we zojuist hoorden. Het verhaal van vandaag kennen we allemaal onder de naam ‘verloren zoon’; Henri Nouwen stelt voor het de parabel van de barmhartige vader te noemen. En ik ga met

Hem mee. Want ik vind barmhartigheid een prachtig beeld. 

 

Lucas is de evangelist van barmhartigheid, zo wordt wel eens gezegd. In zijn evangelie is er ook een duidelijk verband tussen de barmhartigheid van God (zoals in het verhaal van vandaag) en die van mensen (zoals in het verhaal van de barmhartige Sameritaan).

Het woord ‘Barmhartigheid’ doet me denken aan ‘warmhartigheid’, aan mensen met een warm hart, mensen met een hart vol erbarmen. Dat is niet zomaar medelijden hebben met iemand, dat is mensen een ‘warm hart’ toedragen, dat is mensen serieus nemen zoals ze zijn, met hun goede en slechte kanten, met hun geduld en ongeduld, hun plezier en hun gefoeter, hun overgave en hun verzet.

Dit beeld van barmhartigheid gebruikt Lucas vandaag voor God. En al weet ik niet hoe God er uit ziet of hoe ik me God nu precies moet voorstellen, dat beeld van een vader, een moeder (want waarom kan God niet vrouwelijk zijn) die niemand uitsluit of verloren laat gaan.  Die je het gevoel kan geven: ik ben een vriend op je weg, al uren en dagen lang. je hoeft nooit alleen te vechten of te huilen, want ik wil er zijn voor jou, voor uren en dagen lang.

 

Zo stel ik me ook mensen voor die “zo goed als God zijn”, die in hun leven vonkjes van God, vonkjes van barmhartigheid uitstralen. Vandaag wil ik dat ook betrekken op die vele vrijwilligers en vrijwilligsters die zieke of oudere mensen bezoeken en hun een warm hart toedragen. Maar tegelijkertijd ook op die vele zieke of oudere mensen die hun gasten een even warm hart toedragen en hen zoveel wijsheid en levenservaring mee geven. Het is geen eenrichtingsverkeer. Het gedicht zegt het ook: maar ik ben niet groter, niet sterker dan jij, en ik weet niet alles en ik kan niet zoveel.

Maar samen kunnen mensen voor elkaar ‘zo goed als God proberen te zijn’.

 

Terug naar het verhaal van de barmhartige Vader. Tot drie keer toe wordt het gezegd:

ga op zoek naar dat ene schaap, dat verloren was, en verheug je wanneer je het gevonden hebt;
ga op zoek naar dat muntje, dat verloren was, en verheug je wanneer je het terug vindt;
omarm je kind, dat je in de steek liet, en verheug je wanneer het terug komt.

Het is een prachtig beeld, vooral wanneer je tot de groep behoort die ‘verloren loopt’, wanneer je je verwant voelt aan dat verloren schaap of die verloren zoon, wanneer je leven vol tegenslagen zit. Het is voor mij ook een ideaal om iets daarvan waar te maken in mijn gewone dagelijkse leven. Maar tegelijk voel ik ook de teleurstelling van de oudste zoon, die de barmhartigheid van zijn vader ervaar als onrechtvaardig tegenover hem, die de barmhartigheid van zijn vader ziet als een goedkeuring van de vader voor een leven van plezier en egoisme. Het is moeilijk om dat wat iemand volgens jou fout gedaan heeft los te zien van zijn persoon. In het onderwijs zegt men dan: alleen het gedrag afkeuren maar niet het kind dat dat gedrag vertoont afwijzen. Er bestaan dan geen moeilijke kinderen, maar wel kinderen met moeilijkheden. Dan zijn er geen rotkinderen, maar wel kinderen die zich rot kunnen gedragen. Dan zijn zwervers en drugsverslaafden geen onmensen, maar mensen die om welke reden dan ook, niet meer in ons ‘normale’ (tussen aanhalingstekens) leefpatroon willen of kunnen leven. En daarom vaak ook letterlijk verloren lopen.

We kunnen ons vaak zo machteloos voelen, onmachtig om de ellende, de ziekte en het leed van anderen te keren, of er goede oplossingen voor te geven. We zijn ook vaak geneigd om God dan daarvoor verantwoordelijk te stellen en hem te vragen: doe er wat aan. Jezus zegt met zijn parabel daarop: ga op zoek naar wie verloren lopen, naar wie ons nodig heeft en als je die gevonden hebt, verheug je dan samen. Dan zul je met de dichter kunnen zeggen: je hoeft nooit alleen te vechten of te huilen als je een vriend hebt voor uren en dagen lang.

Amen.