Bekering

© Harrie Renckens, Heerlen 2004



Op dinsdag 2 november zat ik met enkele collega’s aan de koffie tijdens de eerste pauze. Opeens ging de deur naar de gang open en een collega kwam opgewonden onze docentenkamer binnenlopen. “Hebben jullie het al gehoord: Theo van Gogh is vanmorgen vermoord door een maffe Marokkaan”, zei hij. Nadat we onze collega het hemd van het lijf gevraagd hadden om te horen wat hij er nog meer van wist, dat bleek niet veel te zijn, drong het nieuwsfeit pas goed tot ons door. Toen volgden de reacties elkaar al snel op: “Ze moeten meer op wapenbezit controleren.”, zei de een; “Ze moeten die mensen die zich hier niet kunnen aanpassen terugsturen naar Afrika. Laten ze daar maar op kamelen schieten” Er volgden nog meer van zulke uitspraken. Velen van ons hebben een maand geleden op hun werk of in hun woonomgeving iets dergelijks meegemaakt. Ook kranten, radio en TV werden tot vervelens toe gevuld met uitspraken over de moord. Direct na mededeling van het gebeurde in Amsterdam zei een collega: `Dat wordt weer een tijdje ´roepen´ in Nederland.´ Hij kreeg gelijk, de meningen, gefundeerd of niet, over het gebeurde, de oorzaken ervan en de preventie in de toekomst buitelden over elkaar heen. Na verloop van tijd schakelden velen over naar een ander programma als de moord of de nasleep ervan weer eens op de TV aan de orde werden gesteld.

In het evangelie van vandaag treedt ook een roepende op. Je zou verwachten dat de man naar de mensen in de steden zou gaan om daar het grootste publiek te trekken. Integendeel, hij loopt in de woestijn rond, in wel heel aparte kledij. Daarmee wil hij zich kennelijk presenteren als een opvolger van de profeet Elia die honderden jaren voor hem er op dezelfde manier bijliep. Maar juist daar in de woestijn, onherbergzaam, zonder water, zonder behoorlijk eten komen drommen mensen naar hem toe. Niet de minsten zijn het die de vuur en bliksem prekende malloot daar komen opzoeken. Schriftgeleerden en Sadduceën , de kenners van het juiste geloof zijn onder hen. Het zijn dan ook moeilijke tijden voor de Joden: hun land is door de Romeinen bezet, wordt door de goddelozen uit het westen economisch uitgebuit en voor velen lijkt het einde der tijden in zicht. Die sfeer van ondergang van de wereld heerste al een paar eeuwen in Israël. Ging het slecht met volk en land dan kreeg de gedachte aan het einde der tijden weer meer aanhangers. Zo ook nu. Johannes ziet het einde der tijden naderen. Het begin van die tijd zou ingeluid worden door de komst van een bijzonder persoon, de Mensenzoon genaamd. Deze zou scheve verhoudingen tussen mensen weer rechtzetten en vrede stichten op aarde, zodat men klaar zou zijn voor de komst van de Messias. Daarover spreekt Jesaja meermalen. In de eerste lezing hebt U gehoord over de komst van de Mensenzoon en goede dingen die hij onder ons zal teweegbrengen. Op de komst van die Mensenzoon dient men zich voor te bereiden zegt de man in de kameelharen mantel. ‘Denk niet dat jullie er al zijn, kleine addertjes’ zegt hij tegen de Schriftgeleerden en de overigen. Niet alleen mooi praten, maar vooral mooi doen wordt van jullie verwacht! Vruchten van bekering moeten jullie tonen. Om te laten zien dat het ernst is, doet Johannes iets ongehoords: hij gaat de mensen die zich willen bekeren met water overgieten, dopen dus. De Joden kenden alleen een waterbad voor heidenen, die als bezegeling van hun overgang tot het Jodendom zich ritueel moesten baden. Joden eisen dat nu nog. Belangrijk is dat het rituele bad uitdrukking is van het geloof dat God zelf reinigt, dat de mens dit niet op eigen kracht kan. Johannes laat zien dat de bekering die hij van de mensen verwacht en het doopsel dat hij op eigen gezag toedient echt een begin van nieuw leven vormen.

Wanneer wij deze woorden van het evangelie horen, kunnen we ze beschouwen als een verslag van wat er een dikke 2000 jaar geleden in Israël gebeurde. Maar als gelovigen, menen wij dat die woorden van Johannes ook voor ons bestemd zijn. Zouden wij ons dan moeten bekeren?

Ik twijfel er niet aan dat het de bedoeling is. Net als in een relatie met je levenspartner is het ook in onze verhouding tot God van tijd tot tijd nodig om de kompassen te ijken en weer dezelfde kant uit te laten wijzen. Jezelf af te vragen, zit ik nog wel op het goede spoor, doe en laat ik nog wat van mij als gelovige verwacht mag worden. Ben ik een van de schriftgeleerden die, zeker van zijn eigen gelijk, op een afstand blijft kijken, overtuigd ervan altijd het juiste te doen of te laten. Of ben ik, als Jezus en de overige mensen die zich laten dopen, steeds bereid om met Gods hulp een nieuw begin te maken, me om te draaien en de juiste weg weer te willen gaan. ‘Heer, wijs mij Uw paden en leid mij op de rechte weg’ bidden we in een psalm. Maar welke is dan die rechte weg, waarheen dient deze te voeren?

In de bijbel worden eindpunten van die wegen aangegeven doormiddel van visioenen van profeten. Jesaja vertelt vandaag van een wereld, die de Mensenzoon zal vestigen. Dat zal een wereld vol vrede en gerechtigheid zijn, een wereld waaruit de verdrukkers verjaagd zijn, waarin de panter naast het bokje ligt en waarin een kind zijn handje in een slangennest kan steken zonder gevaar te lopen.

Dat visioen schildert een haast onbereikbaar ideaal. Maar dat is niet zo erg, want visioenen die al te eenvoudig verwezenlijkt kunnen worden verliezen hun glans, hun uitdagende kracht. Het visioen van vandaag is niet alleen voor politici en machthebbers bestemd maar ook voor mensen zoals u en ik. Overal rond om ons heen, in onze gezinnen, op ons werk, in onze clubs is er wel wat te doen om een beter samenleven van mensen mogelijk te maken. Nodig daarvoor is dat wij ons losmaken van ons autocentrisme, de drang in ons om onszelf als middelpunt van de wereld te zien. Eerst als wij ervaren dat andere mensen ook kinderen van dezelfde God zijn, dat ook zij een minstens zo grote plaats in de wereld verdienen als wij zelf hebben, pas dan gaan wij anderen, of het nu radicale islamieten of onze overburen zijn, als onze gelijken zien. Dan zeggen we niet meer:’Zij moeten dit, ze moeten dat..’ maar weten we dat wij zelf als eersten met onze bekering moeten beginnen.

Over enkele weken is het Kerstmis. Feest van vrede en geborgenheid. Maar ook van overdreven commercie en valse sentimentaliteit. Laten we deze weken niet alleen ons huis opruimen, maar ook ons gedrag kritisch bekijken. Want als door de komst van het Kerstkind God ons rakelings nabij heeft willen zijn, dienen wij ook ons leven zo in te richten dat we hem kunnen toelaten als Immanuël, de God met ons.