2de Pinksterdag

Mariet Stikkers, Heerlen 2006



We hoorden zojuist het verhaal over de profeet Ezekil. Een zeer indringend verhaal met aangrijpende beelden. Ezekil vertoeft tussen de Joodse ballingen in Babylon, zes eeuwen voor onze jaartelling. Ze zijn van alles beroofd en moeten leven onder een vreemde onderdrukkende macht. Een soort krijgsgevangenen. Daar kunnen we ons wel iets bij voorstellen, immers ook nu worden over de hele wereld mensen gedeporteerd, op de vlucht gejaagd en statenloos gemaakt. Het zijn vaak verschrikkelijke omstandigheden waarin ze moeten leven, verlorenheid en verdriet. Ezekil maakt al die verschrikkingen van het Joodse volk mee. Hij is immers n van hen. Maar hij krijgt van God een bijzondere opdracht, hij mag het er niet bij laten zitten, niet het hoofd laten hangen.

We hoorden hoe in een visioen Gods Geest hem bij de hand neemt en neerzet in een groot dal. Wat hij daar te zien kreeg was niet iets om vrolijk van te worden. Overal, zover hij kon kijken, dorre beenderen, een dal vol doodsbeenderen. Een luguber gezicht, de dood regeert. Hij moet ervan geschrokken zijn en tegelijkertijd is het voor hem geen onbekend beeld, want z triest is het immers gesteld met het volk in ballingschap. Z is het eraan toe, zo dood en dor en letterlijk terneergeslagen.

Dan vraagt God hem of hij er nog iets in ziet, in die dode beenderen, in die dorheid, of hij nog hoop heeft op leven. Hij weet geen antwoord, hij laat het over aan God. Maar daar komt hij niet mee weg. God geeft hm het woord. Hij wordt de mond van God, boodschapper van God. Hij moet misschien wel tegen wil en dank deze beenderen leven aanzeggen. Liefst tot driemaal toe. Eerst zullen ze weer vlees en huid krijgen, ze zullen weer gaan lijken op levende lichamen. Ze zullen moed vatten, overeind komen. Dat is de eerste stap.

En dan zal de geest, de adem, er worden ingeblazen. De levenswil moet erin terug, het vuur, het lan, de hoop en het vertrouwen!

En dan, als ze weer tot leven zijn gekomen en weer zijn wat ze waren namelijk het volk Isral dan zal God ze terugbrengen naar hun eigen grond. Want God doet wat Hij zegt. Dat is de kern! Hij doet wat Hij zegt. Vertrouw het maar zegt God, ik ben met jullie. Ook al alles dood lijkt laat Ik het er niet bij zitten. Ik voer jullie naar je eigen grond terug. Ik sta garant voor jullie leven. Maar dan moet je wel meedoen en niet de moed opgeven!

 

Laten wij eens rond kijken over de wereld en naar onszelf. Er is veel dood, dat is zeker. Dagelijks stort het wereldnieuws zich over ons uit en vaak zijn dat verhalen over corruptie, fraude, machtsmisbruik, ellende en dood. En er is misschien ook veel dorheid in onszelf. Misschien laten we het moede hoofd hangen en zeggen: zie je wel, n ellende, er is niets aan te doen. We zijn te klein. We hebben er geen greep op.

Maar ook wij worden meegenomen aan Gods hand om het leven aan te zeggen. Ook ons wordt de adem ingeblazen opdat we anderen leven inblazen. Ook wij worden opgeroepen te geloven dat we op eigen grond mogen wonen. Dat is: dat we mogen leven in de essentie van ons bestaan, in onze eigen ziel. Die eigen ziel is onverwoestbaar. Ook al gaan we nog zo gebukt onder onze tekorten en misstappen, God bewaart ons, voor eeuwig. Altijd weer is er nieuw leven mogelijk. Godzelf staat daarvoor garant.

 

In het evangelie van Johannes wordt dat nog eens benadrukt. Vrede zegt Jezus ons aan. Die vrede is geen aardigheidje, geen loos woord. Het is de vrede die bevochten wordt door pijn en lijden heen. Jezus toont de littekens ervan. Vrede vraagt een hoge prijs. Gaat door merg en been, je blijft niet buiten schot. Het is een gave n ook een opdracht.

Vrede is de kracht van de Geest die ons door het leven heen vergezelt. Het is de kracht waarmee wij er mogen zijn voor elkaar, de kracht waarmee onze zondigheid zal worden opgeheven. Als wij in die kracht elkaar vergeven, dan zjn we ook vergeven. Dan kunnen we met opgeheven hoofd verder gaan, elke keer opnieuw. Maar we kunnen ook de vergeving aan elkaar weigeren, omdat we ons gekwetst voelen en geen ruimte kunnen maken voor de gebrokenheid van de ander. Maar leven wijzelf ook juist niet door de vergeving van de ander? Is vergeving niet de grond waarop wij kunnen bestaan? We zijn toch immers allemaal gebroken en kleine mensen, die keer op keer de fout ingaan.

Geloven in de Geest die we ontvangen hebben heeft twee kanten: God neemt ons iedere keer weer op in zijn liefde, he verkeerd het soms ook gaat Hij vergeeft altijd. Maar ook vuurt de Geest ons aan die barmhartigheid van God aan elkaar door te geven. God neemt ons mensen zeer serieus. Zonder onze welwillendheid en vergevingsgezindheid komt er geen werkelijke vrede. Dat geldt op kleine schaal, in onze directe relaties, maar ook op grote schaal in de gebroken wereld. We worden gezonden. De Geest zendt ons op weg. Ga maar, jij mag er zijn zoals je bent. Laat ook de ander er zijn zoals die is. Vertrouw dat je Gods mededogen mag doorgeven en ben niet bang voor littekens want die zijn het keurmerk van jouw liefde.

 

Het Pinksterfeest is een feest van lan en vurigheid. Ga recht staan mens, vertrouw erop dat er altijd, in elke omstandigheid, in elke situatie, leven mogelijk is. Ook al lijkt alles donker en uitzichtloos, de werkelijkheid is anders. Het is de werkelijkheid van God, die vaak haaks staat op wat wij denken te zien. Ook in onze vaak verwarrende wereld blijft die onderstroom van de Geest ons doorademen. Laten we ons daaraan overgeven, in groot vertrouwen, want Hij is een God die doet wat Hij zegt. Hij brengt leven in de dood. Ook nu, vandaag in deze wereld, en hier bij ons.