32e Zondag door het Jaar

© Geert Bles, Heerlen 2002



Een moeilijk evangelie! Wat moet ik met die gelijkenis? Over de olie in de lampen? Over de meiden die geen olie willen delen met de anderen, die tekort komen? Over de heer die tegen hen zegt ’ik laat jullie er niet in, wie zijn jullie?  ik ken jullie niet’

 

Ik weet niet of het u overkomt, maar mij gebeurt het nog al eens dat ik iemand ontmoet die zomaar de indruk op me maakt van:  gaaf,  mild,  mooi. Vaak helemaal geen geletterd iemand, heel eenvoudig en toch wijs. Als alle mensen zo zouden zijn, wat zou de wereld er dan mooi uitzien.  Ik denk dan, om bij het evangelie van vandaag te blijven: hij/zij heeft olie in de lamp, heeft  de echte wijsheid ontdekt.

 

Ik ken mensen, die bewust een straatkrant kopen om een praatje te kunnen maken met een verslaafde, die hun geld en vrije tijd besteden om  gevangenen bij vrijlating een goede rentree te geven in de samenleving, die de vrouw en het gezin van iemand die gevangen zit bezoeken. Ik denk dan, om bij het evangelie van vandaag te blijven:  zij  zitten goed, zij  hebben  voldoende olie in hun  lampen; zij hebben de echte wijsheid gevonden.

 

Maar ik ken ook mensen, wier hele leven bestaat in zoeken te klimmen op de carriere-ladder, die daarvoor geen ellebogen-werk schuwen, die  je op de A76 voorbij scheuren in hun Benz of Bentley, die minachting hebben voor mensen aan de marge, die een aktie op touw zetten om te verhinderen dat er  in hun straat een hospitium komt of een huis voor geestelijk gehandicapten.  Ik denk dan, om bij het evangelie van vandaag te blijven: ze hebben geen olie in hun lamp en de heer kent ze niet als ze op de deur bonzen; zij hebben de echte wijsheid nooit gezocht.

 

Olie in de lamp heeft iets te maken met de wijsheid van de eerste lezing,  met  inzicht wat Gods plan is met de schepping, met  aanvoelen dat God de mens bedoeld heeft als mede-schepper, als beeld van zichzelf, met God’s Tora onderhouden.  Dit inzicht, dit aanvoelen is niet te krijg, is niet zomaar in die zin  overdraagbaar. Je moet het jezelf verwerven; je moet er moeite voor doen; maar God heeft geduld.  Er is een gedicht over de rijke jongeling (Marc 10,17-27), dat  daarvan spreekt:

 

Een jongeman die alles had

Zocht naar de allerhoogste schat.

Hij ging naar Onze Lieve Heer

En vroeg: ‘is er nog meer?’

 

‘Je moet niet doden meer voortaan’

- maar doden had hij nooit gedaan -

‘Je moet niet weggaan bij je vrouw’

- maar hij was als een hond zo trouw -

 

‘Verkoop dan al wat je bezit’

- pardon, maar welk gebod is dit? -

‘Het is geen gebod, maar Gods idee’

- daar ga ik liever niet in mee -

 

De jongeman die alles had

hij keerde terug op het oude pad.

‘Geen punt’, zei Onze Lieve Heer,

‘hij weet nu: er is meer dan meer’.

 

Zou dat de betekenis zijn van dit evangelie

-         dat zij die olie in de lamp hebben, die waakzaam zijn, dat dat de mensen zijn die in hun dag en dagelijkse doen en laten al leven zoals God het van het begin af aan bedoelt, namelijk: er te zijn voor de ander, voor iedere ander, bij voorkeur (dat is God) voor de kleinen, de mensen die niet mee kunnen/ mogen in deze wereld? Ja, dat dat de mensen zijn die Gods rijk  in onze wereld neerzetten in hun leven van alle dag?

-         en dat zij die geen olie in hun lamp hebben, dat dat degenen zijn die blind zijn, die het niet zien of nog niet zien waar het om gaat in dit leven, waar het God om gaat?  Die alleen maar bezig zijn om hun eigen rijk te vestigen, hun eigen bezit  veilig te stellen?

 

We gaan de kerk opknappen. We mogen daar blij om zijn, want het is geen weelde. Maar ik denk vaak aan wat de profeet Amos zegt: offers alleen, en buiten de muren doorgaan met het opzetten van ons eigen imperium,  is God een gruwel.  Wat maken we ervan daar buiten, dat is het waar het op aan komt, waar het God om gaat en waar het ons om moet gaan.

 

Na de oorlog  heeft, naar de mening van  sommigen het christendom in het Westen aan  kracht ingeboet. Er is, zeggen ze, een cultuur ontstaan, die gelooft dat ieder individu voor zichzelf de  vrije keus moet hebben  om zijn/haar eigen pakketje religie  samen te stellen, die bij hem/haar past; een cultuur, die niet meer gelooft dat het  christen-zijn een antwoord moet zijn op een appel van God, om  je in te zetten voor een andere wereld. Zo’n  cultuur  is strijdig met alles waar het evangelie voor staat. Zo’n cultuur manifesteert zich in niet verder kijken dan ons eigen wereldje, in ongeinterresseerdheid in de wereld buiten ons, in toenemende afname van engagement, in het bedanken om zich in te zetten op allerlei terreinen.  We zijn eerder uit op wat het ons  kan opleveren, dan op wat wij kunnen bijdragen.

 

Zou zo’n christendom ook kunnen betekenen: te weinig olie?  domheid?  niet echte wijsheid?   Zou het kunnen zijn dat de Heer ons moet laten horen: wie zijn jullie? Ik ken jullie niet?  En ons een herkansing moet geven?