Leven na de dood

© Geert Bles, Heerlen 2007



Jezus komt - door zijn boodschap en door het groeiend aantal volgelingen - nogal eens in aan­varing met de joodse leiders. Ook vandaag zijn wij opnieuw getuige van zo’n aanvaring, deze keer met de hogere priesterklasse, de Sadduceeën. Wat is namelijk het geval; waar gaat het over? Het betrof de kwestie van leven na de dood, ja of nee. Dat er leven  na de dood is, werd niet door alle joden aanvaard. De Farizeeën geloofden het, maar de Sadduceeën ontkenden het. Sadduceeën waren op religieus gebied behoudend en verwierpen alle nieuwlichterij; en leven na de dood was zo’n nieuw denkbeeld in hun ogen. Daarom gingen ze naar Jezus met een strikvraag: Zij trokken het geloof in een leven na de dood in het belachelijke; ze probeerden te laten zien dat het alleen maar voor problemen zorgt: als een vrouw zeven maal getrouwd is geweest in haar leven, hoe moet het dan later? Als mensen werkelijk zouden verrijzen, leidt dat toch tot absurde situaties later.

 

De redenering van de Sadduceeën is eigenlijk niet zo onlogisch: als een mens lichamelijk verrijst, gaat hij volgens hen ook door met zijn menselijke relaties, vooral zijn lichamelijke betrekkingen met zijn levenspartner, zoals in het huwelijk. Maar wie moet dan na de dood de levenspartner zijn van een vrouw, die met zeven broers getrouwd is geweest?  Hoe zal Jezus reageren op deze vraag?

 

Ook bij ons is de vraag naar verrijzenis, de vraag naar leven na de dood, een serieuze vraag, die ons bezig houdt. Je zult maar geconfronteerd worden met de dood, met het verlies van iemand die je heel nabij is, vader, moeder, man, vrouw, kind, vriend of vriendin. Of iemand die je heel dierbaar is, of  jijzelf, zult maar te horen krijgen van chirurgen: Dit is het dan; bereid je maar voor om afscheid te nemen van dit leven. Onze gedachten zijn in deze maand meer dan anders bij mensen die zijn heen­gegaan. Ik denk hier aan de dood van jonge mensen in de wijk. En wij pas­seren, achter in de kerk, de kruisjes met de namen van onze gestorven medemensen. Meer dan anders speelt de vraag door ons hoofd: Hoe zal het zijn met hem/haar? Zie ik hem/haar terug?

 

Jezus geeft een antwoord, en ik wil daar even bij stilstaan:

- Vooreerst zegt Hij dit: het hiernamaals is een  totaal andere wereld, het is de wereld van God. Maar hier wil ik deze gedachte bij plaatsen: wij spreken regelmatig in onze geloofsbelijdenis van: de verrijzenis van het lichaam. Dat betekent, volgens mij, dat ook ons lichaam - hoe dan ook - een plek krijgt in die wereld van God. De verrijzenis van het lichaam is het teken dat God het fysieke aardse leven, dat door zijn liefde is gewekt, serieus neemt en eerbiedigt. Met andere woorden: het fysieke leven op aarde is geen schijnvertoning die door de dood onverbiddelijk wordt stopgezet. Het leven hier op aarde behoort in zijn totaliteit  tot die wereld van God.

 

Vervolgens zegt Jezus: ‘Dat de doden worden opgewekt, heeft Mozes te verstaan gegeven in het verhaal van het brandende braambos, waarin hij God aanduidt als de God van Abraham, de God van Isaac en de God van Jacob. God is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven ze allemaal.’

Wat wil Jezus hiermee zeggen? ‘Voor God leven zij allemaal’: Hij kent ze allemaal bij naam: Abraham, Isaac, Jacob, maar ook uw naam en mijn naam. Niet alleen de mensen uit het verre verleden, maar ook de mensen van vandaag (onze dierbare doden en wijzelf) hebben bij God een naam. En om aan te duiden hoe nauw Zijn band met ons is, zegt de schrift dat God elke naam in zijn handpalm heeft geschreven. We verstaan dat beeld.  En in de brandende braamstruik heeft ook Hij - op zijn beurt - zijn naam vrij­gegeven: 'Ik ben er voor jou'. Als Jezus vandaag op dat gebeuren wijst in antwoord op onze vraag naar verrijzenis, heeft dat een diepe zin. God heeft een verbond met de mens, met iedere mens, met mij. Mijn trouw aan Hem wordt beantwoord door zijn trouw aan mij, onbegrensd, ook over de grens van dit leven heen.

 

Om dit duidelijk te maken, kan ik geen mooier beeld vinden dan het beeld van de relatie tussen moeder en kind. ‘Een vrouw zal haar kind nooit vergeten’, zegt de psalmist, ‘maar zelfs als een vrouw dat zou kunnen doen, God kan het niet en zal het nooit doen.’  Een klein kind, dat heel puur is en puur reageert, heeft een relatie met zijn moeder van volkomen geborgen­heid, van blind vertrouwen en algehele over­gave. Als er gevaar dreigt, zal een kind zich blin­delings in de armen van zijn moeder gooien. In de armen van zijn moeder, voelt het zich helemaal gebor­gen en veilig. En de moeder laat het haar kind voelen, door het aan te halen of te zeggen: ‘Je hoeft niet bang te zijn: ik ben er toch!’ En je ziet het, het is genoeg; het kind vleit zich tegen de moeder en kijkt glunderend over de schouder van de moeder naar het vermeende gevaar. Het zit letter­lijk goed. En in het hoofd van dat kind komt het, op dat moment, gewoon niet op, of zijn moeder ook morgen nog wel voor hem zal zorgen, en overmorgen. Zij is er, en zolang zij er is, is het goed.

 

Zoiets wil Jezus zeggen als antwoord op de vraag van de Sadduceeën. Er zijn vragen, die niet gesteld hoeven te worden, die niet ter zake zijn.  Als je weet, als je gelooft, dat God zijn/haar naam  - ‘Ik ben er’ - waar maakt; als je gelooft dat 'Hij er is voor jou', dan hoef je je eigenlijk niet de vraag te stellen of er wel een leven is na de dood, en hoe het er dan wel zal uit­zien. Als je gelooft, dat God een God van liefde is, dan vind je de vraag niet meer relevant, niet meer belangrijk, want dan weet je dat het goed zit. Dan is het voor jou niet denkbaar, dat joùw trouw aan God in dit leven, door Hem niet beantwoord zal worden met Zijn trouw aan jou, over de dood heen. God is liefde bij wie je je veilig en geborgen mag weten, altijd.  Als we dat geloven, kunnen wijzelf met vertrouwen heengaan uit dit leven; als we dat geloven, kunnen we een geliefde loslaten.