Kom naar buiten en Leef!!

© Geert Bles, Heerlen 2008



Een korte gedachte bij de lezingen van vandaag.  Beide lezingen zijn als een opmaat naar het paasgebeuren. ‘Ik breek uw graven open, ik wek u uit de doden op’, zegt God bij monde van de profeet Ezechiël in de eerste lezing. En in de tweede lezing verhaalt de evangelist over de opstanding van Lazarus: ‘Haal de grafsteen weg, en kom naar buiten’, zegt Jezus. Hoe moet ik opstanding uit de doden verstaan? Daar wil met u over nadenken.

 

Freek de Jonge zong ooit een liedje: ‘Er is leven, er is leven na de dood.’  Moet ik dit letterlijk zo verstaan? In dat geval hoef ik me eigenlijk nergens zorgen over te maken, want dan komt immers alles wel goed. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat vroeger altijd geloofd heb, want ik wilde mijn dierbaren toch echt net zo weer terug zien als ik hen had gekend hier op aarde. Ik moet ook eerlijk zeggen dat ons dit beeld door het christelijk geloof in de loop der eeuwen is ingeprent. Als christenen moesten wij onze diepste verwachtingen  niet binnen dit leven leggen, maar  erbuiten, in het hiernamaals. Toch is dit geloof van mij in de loop van de tijd bijgesteld. Ik wil proberen dit te verduidelijken.

 

Het is een feit dat in de joodse traditie het geloof in een leven na de dood eeuwen lang nauwelijks enige rol van betekenis heeft gespeeld. Godsgeloof had in Israel alles te maken met het leven hier en nu. En dit vertaalde zich in het volste vertrouwen dat er in het leven hier op aarde altijd uitwegen te verwachten waren uit benarde/dodelijke situaties. Hun godsgeloof speelde zich hier af, in hun aardse bestaan. Het zat verweven in hun zoektocht naar volheid van leven. Zo voelden de joden het toen zij destijds uit Egypte waren weggetrokken. Ze hadden zich niet neergelegd bij hun ellendige onleefbare situatie, maar waren op weg gegaan naar een nieuwe toekomst, naar vrijheid, naar volheid van leven. Maar die toekomst plaatsten  zij niet later in het hiernamaals, maar in dit leven, hier en nu, binnen de geschiedenis.      

 

Dit verhaal is Israel steeds blijven vertellen, van generatie op generatie. Mensen hebben zich eraan opgetrokken, wanneer ze weer in een benarde uitzichtloze  situatie terecht kwamen. Telkens wanneer de toekomst dicht dreigde te slibben, gaf dit verhaal hun weer houvast om te geloven in die toekomst, hoe dan ook. Ezechiël was een van die profeten, een man met een onbegrensd vertrouwen in de levenskracht van God in mensen. Er komt een nieuw begin; God zal nieuw leven brengen; er is leven aan deze zijde van de dood. Israel was in de eerste plaats gevoelig voor wat zich hier en nu onder mensen afspeelt. De geschiedenis hier op aarde was voor hen belangrijk, daar gaat het om. Daarom hoopte men op een gelukkig goed leven binnen het tijdsbestek van dit leven, voor zichzelf en voor alle mensen.

 

‘Ik ga uw graven openen’, zegt God bij monde van Ezechiël in de eerste lezing vandaag. Mag ik dit daarom zien als beeldspraak? De profeet spreekt niet over een letterlijke opstanding uit de doden, maar over vervlogen hoop van het volk van Israel, over zware ontmoediging, over wanhoop, over het niet meer zien zitten in ballingschap. En mag ik ook met die ogen kijken naar het opstandingsverhaal, dat de evangelist Johannes ons laat horen in het evangelie? Waar we bij deze tekst doorgaans het eerst aan denken, is aan de letterlijke betekenis, aan letterlijk graf, aan lichamelijk dood, aan letterlijk opstaan uit die dood en weer leven. Maar mag ik ook hier de betekenis van graf en dood verstaan als: dodelijke situaties in mijn leven, doodlopende wegen waarop mensen zich  kunnen bevinden? Het gaat de evangelist Johannes immers  niet zozeer om het biologische leven of de verrijzenis van het lichaam. Wat hij wil zeggen is, dat Jezus zelf het ware leven is, dat Hij het schenkt aan wie er voor openstaat. Dat, wie in Hem gelooft, nu al het ware leven, volheid van leven, ontvangt en dat daar geen dood tegen op kan.

 

Het gebeurt toch vaak dat mensen ‘huisarrest’ krijgen in het graf van hun verleden. Eens fout, altijd fout! Ze worden als het ware vast ‘ingewikkeld’ in de fouten die ze eens begaan hebben en verworden zo tot een soort mummies, waaruit het leven wel moet verdwijnen. Er wordt hun niet de vrijheid gegund om te veranderen; er wordt hun niet de kans gegeven om een nieuw leven te beginnen. Maar Jezus roept hun toe: ‘Kom naar buiten’, en tot de omstanders zegt Hij: ‘Maak ze los, laat ze gaan’. Met andere woorden: Geef ze de vrijheid , de ruimte, om opnieuw te beginnen; pin ze niet vast op hun verleden.

 

Dit overkwam Jezus zelf ook. Ook Hij moest van de aardbodem verdwijnen, in een graf, tot er slechts een schim van hem zou overblijven. Dat was de opzet van de religieuze overheden in zijn dagen. Hij moest sterven als een misdadiger; hij moest doodgezwegen worden. Zijn manier van optreden moest begraven worden en ‘ingewikkeld’ in de vaste overtuiging dat God met deze mislukkeling niets te maken kon hebben. Maar God gaat andere wegen;  met Pasen roept Hij hem naar buiten tot nieuw leven. De wikkels blijven achter in het graf. Mensen zijn niet bedoeld voor het graf; mensen zijn bedoeld voor vrijheid, voor leven, voor volheid van leven.

 

De krachten van de dood, ofschoon ze zich voortdurend in onze wereld laten gelden, zullen nooit het laatste woord krijgen. God zelf wil dat recht gedaan wordt aan alle onschuldige slachtoffers. En daarom blijft Hij ons oproepen om ons, zoals Jezus, met alle mogelijke middelen te verzetten tegen de krachten van de dood, en te kiezen voor het leven. En te geloven dat dit het altijd wint van de dood.

 

Tot slot dit: Als ik de uitleg van de lezingen van vandaag zozeer meen te moeten betrekken op het leven hier en nu, aan deze zijde van de dood, op deze aarde, welk antwoord heb ik dan, als mensen een dierbare verloren hebben, die ze eigenlijk niet kunnen missen? Dan is mijn enig  houvast het geloof, dat God liefde is, en trouw, dat Hij het leven wil, hoe dan ook, ook over de dood heen. Dat Hij/Zij een God is, aan wie ik mij kan/durf over te geven.