7e Zondag van Pasen

Eline Claassens, Heerlen 2004



Het is een ontroerend verhaal: Jezus die bidt, tijdens een van de moeilijkste momenten in zijn leven. Jezus bidt omdat Hij weet en voelt dat Hij er voor het laatst bij zal zijn. Voor het laatst samen aan tafel met zijn leerlingen, het zijn, zijn vrienden geworden. Samen hebben ze zich ingezet voor een wereld waarin de wil van de Vader de maat is van alle dingen.

Ik wil het vergelijken met een gebed dat ouders stamelen misschien wel, als ze voor een ingrijpende beslissing staan met gevolgen voor henzelf en hun kinderen. Bij het weten dat je dood gaat, of een kind van je zal sterven of niet meer thuis komt, of als je besloten hebt te gaan scheiden van je partner. Je voelt dat het daarna altijd anders zal zijn. Je moet uit handen geven waarvan je eerder het gevoel had dat jouw mening van belang was, of enige invloed had. Ouders hopen soms intens vurig dat hun kinderen elkaar nooit in de steek laten tijdens hun leven. Ze hopen vurig, ondanks dat ze niet blind zijn en de verschillen zien tussen de kinderen, het andere karakter, de andere inzet, de andere sociale gevoeligheid, of hang naar geld en macht. De erfenis, niet alleen de geldelijke erfenis, maar meer het nest waar je uit voortkomt, de idealen, de humor, het genieten, het verwonderd zijn, het toegeven, hoe zullen ze daar mee omgaan? Je vermoedt en weet ook uit eigen ervaring dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is, nu niet en later niet. Hoe gaan ze verder, zonder jou?

 

Ik vermoed dat het die vraag is die Jezus het meest bezighield, toen bij dat laatste avondmaal. Mogen ze n zijn, bidt Jezus. Hij weet van de rivaliteit tussen Petrus en Jacobus, hoe gaan ze daar straks mee om zonder Hem?

En Jezus bidt: mogen ze een zijn zoals wij, nu rond deze tafel, verschillend van karakter stuk voor stuk, ieder met zijn of haar hebbelijkheden, talenten en zwakheden maar toch deeluitmakend van onze club, van een samen, ondanks. Een eenheid van bontgenoten door dik en dun, een eenheid waar plaats is voor verdeeldheid, voor een lach en een traan, een vloek zelfs als het je te machtig wordt, als je het gevoel hebt dat je door alles en iedereen bent verlaten. Laat er solidariteit zijn, oprecht meeleven, een meegaan zo ver dat ze net als Ik soms verbaasd staan over zichzelf, verbaasd over een ongekende kracht die groter is dan alles wat er tot nu toe op Mijn weg kwam. Het gevoel dat je geborgen bent in Zijn hand. Het wordt zo prachtig verwoord in Psalm 139:

Gij kent al mijn gedachten, want waar ik ga, Gij ziet mij, Gij volgt mij, Gij weet wat ik zeggen ga. Heer Gij doorschouwt mij, waar ik ook ga of sta, Gij kijkt van verre toe en volgt mij op al mijn wegen. Al stijg ik naar de hemel op: daar zijt Gij reeds, al daal ik diep: ook daar zijt Gij aanwezig .

 

Ik vermoed dat Jezus en Stefanus iets dergelijks gevoeld hebben. In het vuur van hun pleidooi voor een rechtvaardige wereld, pal voor hun dood, ziet Jezus zijn Vader, die in Hem is zoals Hij in de Vader is, z sterk dat Jezus spreekt over Ons, zodat de wereld, wij, geloven dat zij n zijn, en als Stefanus gestenigd wordt ziet hij in een visioen de mensenzoon, die staat aan de rechterhand van de Vader en dan kan Stefanus alleen nog maar uitroepen "reken het hun niet aan" .

Jezus en Stefanus voelen zich in de kritieke fase van hun leven gedragen door een altijd aanwezige Liefde die geeft en ontvangt, tegelijkertijd.

Bij het zien van deze ervaringen waren de apostelen zo geraakt dat ze niet anders konden dan opschrijven waarvan ze getuige waren:

van een Liefde die groter is dan je als mens kunt denken.. een liefde voor altijd en eeuwig die ook voor ons mensen ervaarbaar is als je je met hart en ziel durft toe te vertrouwen aan Hem, ons Voorbeeld bij uitstek.