Hemelvaart

© Nan Paffen, Heerlen 2008



Het is een mooi stel, die elf leerlingen die daar in Galilea de berg opgaan.

Naar Galilea, naar de plek waar Jezus begonnen was. Naar Galilea, naar het land van de halve heidenen. Gallilea, een uithoek van een landje dat toch al niet veel voorstelt op de wereldkaart. En uitgerekend daar zullen ze Jezus voor de laatste maal ontmoeten op de berg.

Uitgerekend daar proclameert de Verrezene zijn macht en zegt: mij is alle macht gegeven, in de hemel en op aarde. Alle macht, in de hemel en op aarde. Daar zal Zijn wil geschieden, de wil van God… We horen hoe Jezus ons te boven gaat, daarboven op die berg en tegelijkertijd horen we zijn vertrouwde woorden: ik ben met jullie, alle dagen.

 

Als de leerlingen Jezus zien, is hun reactie heel verschillend: sommige bewezen hem eer, maar anderen twijfelden nog. Het lijken net echte mensen; ze hadden ook in onze tijd kunnen leven… Het is de tegenstelling, die ook in ons leven zo afwisselend de boventoon voert: de twijfel: is het allemaal wel waar? We hebben nog nooit iemand ontmoet die uit de dood is opgestaan? En daarnaast de stellige overtuiging: iemand die zo goed als God geweest is, die in woord en daad heeft laten zien, hoe God mens en wereld bedoeld heeft, zo’n leven kan niet zomaar verdwijnen…; zo’n leven wordt bekroond door God …; zo’n leven verdient waarlijk alle macht in de hemel en op aarde.

Afstand en nabijheid, geloof en ongeloof: ze horen bij elkaar, want precies daar –in die spanning – ontmoeten wij het geheim van een God die als een onzichtbare kracht, mensen nabij wil  zijn…..

En daarmee zou het verhaal afgelopen kunnen zijn. Jezus is verrezen; Hij is weer terug bij de God, bij zijn oorsprong en voltooiing. Alle leed geleden. Eind goed, al goed.  

Maar nee, het verhaal begint nu pas. Of, anders gezegd, het verhaal begint opnieuw. In de lezingen van vandaag is dit zelfs letterlijk merkbaar: het evangelie (van Matteus, maar ook van de andere evangelisten) eindigt op 4 zinnen na met het verhaal van Jezus’ Hemelvaart; het boek handelingen (waaruit de eerste lezing genomen is) begint met het verhaal van Jezus’ Hemelvaart. Het verhaal van Jezus gaat verder in zijn leerlingen. Zij die heen en weer geslingerd worden tussen hoop en wanhoop, tussen geloof en twijfel, zij moeten de fakkel overnemen. Met de woorden van ons themalied: blijf niet staren, sta niet stil in het verleden. Ik, zegt hij, ga iets nieuws beginnen; het is al begonnen. Zie je het niet?

Het verhaal is pas voltooid, is pas af als iedereen er in wordt gedeeld. Het gaat Jezus niet alleen om dat kleine stukje vergeten land van Israel. Hij heeft oog voor al die mensen van overal en nergens, die in het vergeetboekje dreigen terecht te komen, die niet tot hun recht mogen of kunnen komen.

En Hij geeft elf gewone mensen, vissers en tollenaars, de taak om Zijn verhaal verder te vertellen, om Zijn manier van leven verder te doen…

Als zaadjes te strooien die kunnen ontkiemen in het leven van mensen.

Het is geen onbegonnen werk, want Hij zegt: Ik ben met jullie, alle dagen…

En dankzij dat clubje gelovige twijfelaars, of twijfelende gelovigen, zijn wij hier en nu bij elkaar. Daar op die berg ergens in Galilea werd de kerk geboren. Daar is begonnen dat wij nu in 2008, hier in onze Andreaskerk (en vele andere kerken overal ter wereld) Zijn verhaal horen, Zijn macht en nabijheid mogen voelen en gesterkt op weg te gaan.

Het begon met elf mensen en het gaat door; wij gaan door: op onze eigen weg, hier in onze eigen stad en wijk, soms twijfelend en soms vol overtuiging. En na ons gaan mensen nog steeds door, totdat deze wereld voor iedereen leefbaar en mooi zal zijn omdat mensen elkaar echt als mens willen ontmoeten. Dan wordt het een hemel op aarde.