Sacramentsdag

© Harrie Renckens, Heerlen 2002



In 1957 deed ik mijn eerste Heilige Communie. Na weken van voorbereiding op school en thuis mocht ik dan eindelijk voor de eerste keer het Sacrament ontvangen. Samen met zo’n 50 klasgenoten kreeg ik van pastoor een hostie in een plechtige viering, waarbij we allemaal vooraan dicht bij het altaar zaten. Ons was verteld dat de hostie Jezus was, dat je er niet met je handen mocht aankomen zelfs niet op bijten. Als kind begreep je dan niet hoe dat mogelijk was dat Jezus in die hostie zat, maar je ouders, de juffrouw op school en alle andere grote mensen in de kerk lieten aan hun gedrag zien dat het wel zo was.

Dat maakte op mij veel indruk en ik was er dan ook als de kippen bij om nog dichter bij die Jezus te komen door misdienaar te worden. Het was niet alleen dat Jezus via de hostie in je kwam wonen, zoals dat toen gezegd werd, maar je kon ook speciaal tot God bidden als hij was uitgestald in de monstrans tijdens het lof of wanneer de pastoor met de andere priesters in de sacramentsprocessie door de wijk droegen. Dat was toch een gebeuren! Oud en jong liep mee, mannen en vrouwen apart, de verenigingen uit de parochie ieder met hun eigen vlag achter elkaar alsmaar Onze Vaders en Wees Gegroetjes en biddend. Zelf mocht ik dan al misdienaar meelopen en ik herinner me nog de pijnlijke armen na afloop van de ommegang, loodzwaar van het zwaaien met het wierooksvat. Maar ondanks alle vermoeidheid en transpiratie was er ook de trots dat je met iets geweldigs bezig mocht zijn, namelijk dat Onze Lieve Heer door de wijk gedragen werd en dat jij daar heel dicht bij mocht zijn.

Ouderen onder ons zullen zich wel vergelijkbare dingen herinneren, zoals het vooraf met zand en bloemen versieren van de straten, het uitstallen van het Christusbeeld met kaarsen voor een raam in de huiskamer, de mooie kleren die je mocht dragen als je meeliep of aan de kant stond en ook het lange wachten bij een rustaltaar, waar zo nodig met een carbidkanon loeiend hard geknald moest worden.

Maar langzamerhand kwam er de klad in, ik praat nu over het begin van de jaren zestig. Door pastoor werd ik onverwachts gesommeerd om niet met de misdienaars mee te lopen maar met de studentenclub, zeg maar de jongens van HBS en Gymnasium uit onze parochie. Misdienaars waren er genoeg maar de studenten waren niet op komen dagen. Bij de studenten werd er niet gebeden maar gekletst en lol getrapt. Ook het aantal volwassenen dat meeliep nam flink af en je zag ook steeds meer dat de mensen langs de kant niet meer knielden voor het Allerheiligste. Midden jaren zestig werd de processie enkel in de kerk gehouden en weer een aantal jaren helemaal afgeschaft. Er veranderde nog meer: Op een dag ging pastoor tijdens communie de hostie op de hand geven. Dat kon ook eerbiedig gebeuren, zei hij, en het was nog hygiënischer ook! Voor mij was dat een grote schok en ik was toen niet de enige. Zoveel belang hecht ik niet aan uiterlijkheden maar die overgang van tong naar hand, was eigenlijk een mijlpaal in een proces dat al langer gaande was.

Zon zevental jaren geleden deden onze dochters hun eerste Heilige Communie. Net als toen bij mij, een lange voorbereiding, een prachtige viering met veel bloemen en een videocamera en natuurlijk de cadeautjes na afloop van de viering. Bij ons was ter gelegenheid van het feest familie uit Polen aanwezig. De familieleden vonden de viering veel meer aangepast aan de kinderen dan de communievieringen in Polen, maar een tante zei dat ze eerst met de communicant over de communie wilde praten. Dat deed ze dan ook en na afloop van het gesprek vertelde ze geschokt dat ons dochtertje helemaal niet verteld was dat Jezus voor de eerste keer bij haar was gekomen. In plaats daarvan werd er gezongen over ‘Samen eten, samen delen’ maar, zo zei tante, dat kun je thuis toch ook, daarvoor hoef je niet in de kerk te zijn.

Met andere woorden hoor ik vaker vooral oudere mensen hetzelfde zeggen; dat ze iets van vroeger missen in de vieringen van tegenwoordig. Ze missen vaak het innige contact met God, dat ze vroeger wel in mis en communie ervoeren.

Het schijnt zo te zijn, beweren veel wetenschappers, dat omstreeks het jaar 1000 het geloof in Gods aanwezigheid in de geconsacreerde hostie niet met name werd genoemd. God was immers overal en het was vanzelfsprekend dat hij er in de eucharistieviering en in het gebruikte brood en wijn ook was. Na 1000 ontstaat er hier en daar licht twijfel aan Gods Alomtegenwoordigheid, zijn aanwezigheid in alles en allen wordt steeds minder als vanzelfsprekend ervaren, de hostie, daarentegen, wordt het verdichtingspunt van de goddelijke aanwezigheid. Thomas van Aquino dicht in de elfde eeuw de tekst van het bekende lied: ‘Adoro Te Devote, Latens Deitas (Ik aanbid U vroom, verborgen Godheid) Steeds meer wonderen blijken te gebeuren met de geconsacreerde hostie, de hostie zelf wordt in een apart kastje gezet, er komen regels voor het nuchter communiceren. Kortom: de geconsacreerde hostie wordt niet alleen verdichtingspunt van Gods Aanwezigheid, waarmee dus een verschil in intensiteit wordt aangegeven, maar steeds meer de enige vorm van zijn aanwezigheid onder ons mensen. De Reformatie is het niet eens met de werkelijke Aanwezigheid van God in de tekenen van brood en wijn. De katholieke kerk houdt vol dat het wel zo is en de katholieken zelf geven in hun gedrag blijk dat geloof te delen. Tot, althans wat ons land betreft, in de zestiger jaren heel vlug heel veel verandert. De katholieke leer is niet veranderd maar het geloof van de meeste mensen wel. Misschien kijkt u nu, net als ik, met een gevoel van heimwee terug op vroeger. Maar met nostalgie kom je niet zover. De wereld verandert steeds sneller en de gewoonten en gebruiken van toen zijn voor velen van ons niet meer na te volgen. Ze hebben voor ons geen inhoud meer. Maar als God voor ons dan niet meer in die geconsacreerde hostie gezien kan worden, waar is hij dan wel te vinden? Want daar gaat het om, sacramenten en vooral het Sacrament is een teken van Gods nabijheid, maar is niet alleen de plaats waar God zich ophoudt. Een probleem van alle tijden: ‘God mijn God, waar zijt Gij te vinden, steeds weer zoeken mijn ogen naar U’. Dat verzucht ieder van ons wel eens op zijn tijd. Maar als die ogen alleen de platte, materiële werkelijkheid zien, en niet de diepten achter de mensen en de dingen proberen te vinden, zullen zij ook God nooit zien. Maar ogen, gevuld met verwondering en betrokkenheid kunnen oudere mensen zien die ondanks alles elkaar trouw blijven, jongeren, die hun idealen blijven houden, mensen die zonder winstbejag anderen terzijde staan omdat zij hun lot willen delen. Daarin vooral zie ik God bezig. Als wij Christengelovigen hier bij elkaar zijn met al onze onderlinge verschillen dan ook, doen we dat niet zoals vroeger vaak het geval was om voor onszelf te communie te gaan, maar om een communio, gemeenschap dus, te worden van mensen die leven vanuit dezelfde bron op weg naar een wereld, waarin Hij alles in allen zal zijn.

Tot slot van deze overweging een gedicht van Guido Gezelle, waarin het kijken met ‘andere’ ogen zo mooi verwoord wordt.:

 

                        Als de ziele luistert

                        spreekt het al een taal dat leeft,

                        ‘t lijzigste gefluister

                        ook een taal en teken heeft:

                        blaren van de bomen

                        kouten met elkaar gezwind,

                        baren in de stromen

                        klappen luid en welgezind,

wind en wee en wolken,

wegelen van Gods heilige voet,

talen en vertolken

‘t diep gedoken Woord zo zoet...

als de ziele luistert!