Geert Bles in gesprek met ...

← terug

Gesprekken

We hebben in ons parochieblad een tijdje een geloofsestafette gehad, waarin mensen schreven wat hen bezighield, wat geloven voor hen betekende. Daar zijn we mee gestopt. Maar we blijven nieuwsgierig naar de verhalen van mensen: wie zijn ze, wat inspireert hen. In deze nieuwe reeks gaat pastor Geert Bles met mensen in gesprek aan de hand van vragen als: wat vind je typisch voor de Andreasparochie, wat betekent geloven voor jou, hoe kijk je tegen de dood aan, is er een tekst die je bijzonder aanspreekt, wat is jouw mooiste herinnering aan de kerk, welke levensles wil je met ons delen? En ook: kun je iets vertellen of een inspirerende persoon in je leven, en: een gedroomde tafel van vier en jij bent de gastheer/-vrouw, wie zou je willen uitnodigen? Tot slot de vraag aan wie je het stokje zou willen doorgeven en waarom.

Inhoud

Lambert Cuppers

Joke Berends

Willemien Zenden

Joke Adriaanssen

Karolina Renckens

Huub Vervoort

Tiny Legius

Piet Trepels

Martijn Somberg

Samanta

Marga Peters

Zr. Miriam Robertz o.c.

Sri Rijst

Geert Bles

Wil Heijster-Thoen

Harry Kerckhoffs

Marcel Mollink

Brigitte Vogt

Connie Rutten

Karin van Doormaal

In de brochure Gabriël ontmoet Andreas vertellen meer mensen wat de Andreaskerk voor hen betekent. Deze mooie brochure is nog steeds te koop. De prijs is 7,50 euro. De opbrengst komt geheel ten goede aan onze parochie.

Lambert Cuppers

'Wees jezelf' staat centraal in het verhaal van Lambert, dat hij met mij deelt op 18 oktober bij een kop koffie bij hem thuis aan de keukentafel. Ik luister, terwijl ik door het raam kijk en geniet van de herfstzon en de prachtige tuin; Gidi luistert mee:

"Het stokje voor dit interview kreeg ik van Joke Berends, omdat wij elkaar kennen van de Heerlense Oratorium Vereniging. Zingen is voor mij belangrijk; we deden het thuis al in ons gezin. Ik ben geboren in Eindhoven op 1 november 1938 als vijfde in een gezin van elf. In 1956 kwam Gidi op mijn pad; we zijn in 1962 getrouwd en woonden aanvankelijk bij haar moeder op een kamer; daarna drie jaar in een flat. Ik werkte als technicus bij DAF, Philips en CAJA (kinderwagen accessoires). Toen deze firma, na de sluiting van de mijnen, in 1970 naar Kerkrade verhuisde, kwamen wij met ons gezin naar Heerlerbaan.

Wij hadden in die tijd niet zoveel met de kerk, waar woorden als schuld, zonde, boete doen, biechten etc. de hoofdmoot vormde en mij tegenstonden, en waar anderen, die niet katholiek waren, in de gevarenzone zaten. We raakten geleidelijk aan betrokken bij de Andreas, die aanvankelijk kerkte in het houten noodgebouw, nu kunststudio van Joop Noordkamp. Er wordt vaak een beroep op mij gedaan voor technische klusjes (altaar/tabernakel op wieletjes) en op Gidi (schilderen van paaskaars), maar ook de boodschap, die gebracht wordt klinkt anders dan vroeger. Denk aan de viering van afgelopen zondag, 15 oktober, waar strijd tegen armoede het thema was: iedereen voelt zich welkom en hoort erbij, katholiek of niet, rijk of arm; zien en gezien worden als mens, daar gaat het om; tekenend was de vredeswens: 'ik zie jou.... hier ben ik'. Dit is wat in de Andreas ons aanspreekt; het gaat om echtheid, om de binnenkant ('maak mij mooi'); het krijgt uitdrukking in het samenkomen na de viering in de koffiekamer, in het schrijven van kaarten, maar ook in de gastvrijheid van de gastvrouwen. Ik, en meerderen met mij, waren geraakt door de vanzelfsprekendheid en hartelijkheid, waarmee mensen van 'Samen Onderweg' opgenomen werden in de gemeenschap. Dit is wat m.i. kerk moet zijn: een gemeenschap die openstaat voor iedereen, ook voor anders ge-aarden, andersdenkenden, anders gelovenden; een gemeenschap waar niet gezwaaid wordt met schuld, boete, voorschriften en regels, maar waar het leven gevierd wordt, waar oog is voor mensen die niet of nauwelijks aan leven toekomen. Natuurlijk is er crisis in de kerk: het percentage practiserenden is klein; jongeren voelen zich weinig aangesproken; het aantal priesters slinkt; kerken moeten sluiten etc. Maar deze crisis los je niet op door alles op alles te zetten om de oude situatie van vroeger te restaureren, maar vraagt om nieuwe wegen te verkennen, te kijken waar de huidige samenleving naar toe beweegt, en te kijken wat de boodschap van Jezus daarin kan/moet betekenen. In zo'n kerk voel ik mij thuis.

Wij hebben zoals elke familie ook onze zorgen, materiële zorgen, zorgen over gezondheid, zorgen over de stappen die onze kinderen zetten. Wij zijn daarvan niet gespaard gebleven, kenden momenten van on-zekerheid, van het willen opgeven. Maar het leven vraagt om investering. ‘Doe je niet anders voor dan je bent' is mijn levensles, die ik met anderen zou willen delen: ken jezelf, blijf jezelf.

Als je me vraagt welke boeken ik in mijn koffer stop als ik op vakantie ga, dan noem ik bijv. 'Das Brot der frühe Jahren' van Heinrich Böll, die met zijn schrijven erin slaagt om te laten zien wat sociale toestanden, honger, crisis, etc. teweeg brengt in gezin of relatie. Of: 'Mata Hari' van Jan Brokken, het verhaal van de jonge vrouw, die honderd jaar geleden na een geheim proces vanwege spionageactiviteiten ter dood veroordeeld werd. Ook boeken van Ken Follett boeien mij, "Winter of the World" bij voorbeeld, over de diverse oorlogen in de wereld. En als ik drie mensen mag meenemen om uit te gaan eten op jouw kosten, dan vraag ik mijn vrouw Gidi, Jos Wouters een wandelmaat, en Francien de vrouw van een koorlid, die bibliothecaris was en alles weet van literatuur, geschiedenis, politiek, etc. Het gesprek zal dan gaan over dit soort onderwerpen".

Hier dwong de tijd ons om het gesprek af te ronden; Lambert heeft Jacq Zenden bereid gevonden om het stokje van hem over te nemen; zijn verhaal ziet u in het volgende parochieblad.

Geert Bles

Joke Berends

Het is maandagmiddag 18 september, iets over drie uur. Ik ontmoet Joke in de koffiekamer van de Andreas. Als het gesprek begint klinkt ergens het begin van Jezus' bergrede: 'Je bent op de goede weg, als ...' Het lijkt de rode draad in haar verhaal; zij steekt van wal, ik luister:

"Ik ben geboren in de mooi(st)e stad Amersfoort in 1947, de vijfde in een gezin van zeven. Na mijn studie (rechten) in Utrecht ben ik in 1970 - mijn toenmalige man werkte bij DSM - naar Heerlen verhuisd. Wij hebben drie kinderen, die met hun partners in het midden van het land wonen, en zeven prachtige kleinkinderen. Mijn ouders waren trouwe kerkbezoekers en nauw bij de kerk betrokken. Ik heb dat ook en zocht, toen ik in Heerlen kwam, direct naar een plek die mij zou aanspreken. Het werd eerst het Eikske, toen de UTP, waar ik kindernevendiensten heb geleid en zeker 25 jaar in de liturgiegroep heb meegedraaid (een mooie tijd met fijne gespreksavonden!); daarna kwam ik bij Samen Onderweg, waar ik jarenlang lector ben geweest, coördinator van de lectoren, actief in poetsgroep en in het Samen Onderweg Beraad; en nu dan de Andreas.

Ik heb me nooit thuis gevoeld in kerken waar een behoudende sfeer heerste, waar regels golden en men weinig openstond voor de omwentelingen in die dagen. Hier in de Andreas was er al heel gauw een klik: er wordt gezocht naar de kern van de boodschap, en die moet door de gemeenschap de samenleving in: 'Je bent op de goede weg, als ...'

Ja, de Bergrede, waar Jezus zijn openbare leven mee begon, betekent voor mij geloven: vertrouwen dat het beter zal gaan met de wereld, als je zelf 'die goede weg kiest'. Het is een leidraad om na te leven, samen met anderen: je inzetten voor gerechtigheid en door dat 'samen te doen als gemeenschap' gestimuleerd worden. De nadruk op dat gemeenschappelijke in de Andreas is een manier van kerk-zijn die mij bijzonder aanspreekt. Dit komt tot uitdrukking in het samen bidden, het samen zingen - in plaats van stil te luisteren naar een opluisterend koor - en in het uitgenodigd worden rondom de altaartafel. De symboliek van de kerk is mooi en spreekt mij erg aan; daarom hebben wij binnenkort ook een rondleiding georganiseerd voor het KVG (Vrouwengilde) waarvan ik voorzitter ben.

Ik heb elf jaar lang als vrijwilliger gewerkt bij Slachtofferhulp. De confrontatie met schade aan mensen toegebracht was heel intensief en aangrijpend, vooral een eerste gesprek, waarvan ik vaak dacht: wat een ellende, hoe komen ze hier ooit uit! Maar als ik in de gesprekken daarna zag hoe ze overeind kwamen en stap voor stap krachtig werden en hun leven weer oppakten, voelde ik dankbaarheid dat ik dit werk mocht doen.

Ik ken zelf in mijn leven ook de nodige moeilijke momenten, waar ik me op moest pakken. Mijn ouders zijn jong gestorven, mijn moeder toen ik 19, mijn vader toen ik 25 was; drie van mijn broers en zussen zijn jong gestorven, en van mijn man heb ik afscheid moeten nemen 23 jaar geleden toen ik zelf pas 47 was. Wel denk ik dat al deze ervaringen mij sterker gemaakt hebben, en geschikt om het werk bij Slachtofferhulp te doen en aan te kunnen. Het had volgens mij ook iets van doen met wat ik 'geloven' noem: daadwerkelijk je inzetten voor de meest kwetsbare mensen, en hen weer op weg helpen. Iemand die mij echt geïnspireerd heeft in mijn leven, is mijn man. De laatste jaren van zijn leven was hij zwaar nierpatiënt. Hoe belastend en bedreigend die ziekte ook was, hij ging nooit bij de pakken neer zitten en bleef positief. 'Er is zoveel moois in het leven', was zijn vaste gezegde, en hij ging door.

Als je mij de gelegenheid geeft om enkele mensen aan tafel te nodigen, dan denk ik direct aan mijn ouders. Ik heb ze veel te jong verloren; ik was net de pubertijd ontgroeid; wat zou ik die twee nu veel willen vragen!"

Hier eindigde ons gesprek, dat Joke best wel spannend vond, omdat het niet zozeer in haar aard lag haar eigen verhaal te vertellen; het stokje geeft ze door aan Lambert Cuppers.

Geert Bles

Willemien Zenden

We komen samen voor dit gesprek op donderdag 20 juli in de koffiekamer van de Andreas. Ik merk al gauw dat Willemien bijna lyrisch wordt als we komen te spreken over zingen en muziek; ze laat de koffie koud worden. Ik luister met aandacht.

"Muziek zit in mijn familie, we hebben het met de paplepel binnen gekregen; mijn broers en zussen zongen allemaal; ikzelf ben lid van HOV (Heerlens Oratorium Vereniging). Je kunt je er helemaal in uitleven en er alles inleggen; ik denk hier aan het Simon Bolivar Jeugdorkest uit Venezuela, dat op 24 juli in Kerkrade zou optreden; dit beroemde koor van straatjeugd is ooit opgericht vanwege de vormende waarde van muziek maken met mekaar.

Mijn ouders komen van het rozendorp Lottum, waar mijn vader rozenkweker was. In 1931 is het gezin naar Eygelshoven verhuisd waar mijn vader werd aangesteld als gardenier bij de Gemeente; daar ben ik in 1936 als zesde kind in het gezin geboren, een nakomertje. Ik had twee broers en drie zussen; we waren een fijn en hecht gezin. In 1960 ben ik getrouwd met Sjef Zenden, die leraar was aan de Lambertusmavo in Kerkrade; in 1969 zijn we verhuisd naar de Rukkerweg, nu Leon Biessenstraat, in Heerlerbaan. We zijn de gelukkige ouders van drie kinderen, en grootouders van vier kleinkinderen. Hoewel ik het werken in de winkel heel leuk vond, is mijn taak vooral het gezin geweest, met daarnaast de zorg voor ouders en een zieke zus. Ik voel mij een gelukkig en bevoorrecht iemand, maar natuurlijk kenden we ook zorgen, zorgen om gezondheid in de familie; mijn lievelingsbroer is al vrij jong overleden; zorgen ook om de stappen die de kinderen zetten op hun levenspad, die we soms niet altijd begrepen. Toch is mijn levensdevies steeds geweest: sluit nooit de deur, ga met geduld en liefde te werk, nooit met harde hand.

Wat ik trouwens wel zorgelijk vind is de verslaving van jonge mensen vandaag aan hun mobieltjes; er lijkt bijna geen normaal contact meer; leren ze op die manier nog wel de (meer)waarde kennen van echt persoonlijke communicatie? Maar moet ik misschien mijn oordeel wat loslaten, vertrouwen dat het uiteindelijk allemaal goed komt; durven vertrouwen in de persoon waar het om gaat, vertrouwen geven? Een van mijn kleinkinderen is bij voorbeeld kort geleden met enkele vrienden in Auswitsch/ Birkenau geweest, duidelijk een ingrijpende ervaring voor hen; het trof me dat ze diep waren geraakt en niet uitgepraat kwamen over wat mensen elkaar kunnen aandoen.

Onze relatie met de Andreas is hecht; we hebben nog gekerkt in de noodkerk en zijn nauw betrokken geweest bij de bouw. Er werd een koor opgericht, waar ik vele jaren met plezier heb meegezongen. We zijn 13 jaar geleden verhuisd naar Bekkerveld, naar de Annakerk, maar zijn toch snel weer teruggekeerd naar de Andreas. De Andreasparochie trekt ons, vooral vanwege de verzorgde liturgie en de actualiteit van de preken; ik wil hier met name de mooie begrafenisvieringen noemen; iedereen praat erover. En bijzonder vind ik ook de toegewijde vrijwilligers in de koffiekamer, in het winkeltje, en daarbuiten. Hoe ik over de dood moet denken, vind ik moeilijk te zeggen. Zolang als je nog herinnerd wordt, ben je niet echt dood. Ouders leven voort in hun kinderen via DNA, maar ook hun karaktertrekken, denken, voelen, houden van etc. , dat is toch een mooie gedachte. We hadden altijd veel met St. Gerardus. Steeds als we ergens mee zaten, of iets te vragen hadden, vonden we de weg naar Wittem.

Als je mij de gelegenheid geeft om uit te gaan eten en daarvoor drie mensen aan tafel te nodigen, dan denk ik direct aan de gastvrouwen, omdat zij zo'n belangrijke bindende rol vervullen in de parochie; twee van hen, Nel van Ooijen en Riet Noestheden, zou ik willen vragen, maar ook graag Kitty Snijders, omdat zij in mijn ogen als vrijwilligster bij de Zonnebloem meer betekent voor zieken en ouderen dan zijzelf vermoedt. Als je mij vraagt om tot slot nog zoiets als een levensles mee te geven, dan kom ik terug op wat ik hierboven al zei: Benader de ander altijd met liefde en geduld; hou de deur altijd open."

Met deze gedachte van Willemien ronden wij het gesprek af; zij wil het stokje doorgeven aan Joke Berends van 'Samen Onderweg'.

Geert Bles

Joke Adriaanssen

Zij kreeg het stokje aangereikt door een jongere, Karolina, die nieuwsgierig is naar het verhaal van een oudere. Wij spreken af in de koffiekamer van de Andreas op 19 Juni; het is tropisch heet buiten. Joke steekt van wal, ik luister.

"Ik ben geboren in Huijbergen, Brabant in 1935 in een gezin van vijf kinderen. Na een wat moeilijke jeugd kwam ik in 1953 naar Heerlen om te werken als handwerkster bij de zusters in het ziekenhuis in Heerlen. In die tijd leerde ik Harrie Adriaanssen kennen, met wie ik in 1958 getrouwd ben in de Josephkerk. Ik heb 20 jaar lang in de thuiszorg gewerkt in gezinnen die ons werden aangewezen, maar werd uiteindelijk vanwege rugklachten afgekeurd. In mijn werk heb ik veel oude en zieke mensen ontmoet; en kunnen zien hoe ze in het leven stonden en hoe kranig en geduldig zij vaak omgingen met hun handicap of beperkingen. Dat liet mij niet onberoerd en is waarschijnlijk ook de reden, waarom ik als vrijwilligster steeds op dat terrein werkzaam ben gebleven. Ik heb een aantal jaren mogen werken als activiteitenbegeleidster in de ouderensoos in de Caumerbron. Daarnaast ben ik altijd heel nauw betrokken geweest bij de Zonnebloem, eerst 17 jaar als vrijwilligster, maar de laatste jaren als gast.

Toen de nieuwe parochie werd geopend in 1977, kwam de vraag naar bezoek van zieken en ouderen op mijn pad. Ik heb dat altijd graag gedaan en doe dat vandaag nog als lid van de pastoraatsgroep. Ik voel mij met hart en ziel verbonden met de Andreas; de mensen zijn geen vreemden voor elkaar; er is verbondenheid en meeleven met elkaar; dat maakt deze parochie volgens mij zo levendig en sterk; hier kun je je verhaal kwijt en er wordt naar je geluisterd; ik voel me gelukkig dat ik daarin mee kan/mag doen met mijn bescheiden bijdrage.

Wat mij in de kerk bijzonder aanspreekt is vooral de paasviering: het lijden, dan de dood en daarna toch weer de opstanding. Ik vermoed dat de voorliefde voor het paasfeest iets van doen heeft met mijn eigen jeugdervaringen: Het kan zo beroerd niet zijn, het komt toch allemaal weer goed; uiteindelijk zegeviert het leven; je hunkert naar leven, naar geluk, en .... het gebeurt. Ik herken mij in het hele paasverhaal: van geboorte tot dood tot opstanding; het draagt ons door verwarring en lijden en sterven naar opstanding; we herkennen in het paasverhaal ons eigen verhaal. Misschien is het dat wat mijn leven zin geeft, misschien is het dat wat geloven voor mij betekent: niet altijd naar het verleden kijken, maar iets van je leven maken; zó naar jezelf kijken en zó met mensen omgaan. Ik vermoed dat ik niet zonder reden de hongerdoek, die nu in kerk hangt, zo mooi en sprekend vind: twee mensen die elkaar in de ogen zien, met de handen op elkaars schouder, geen woorden .... daar gebeurt het.

Ik zei dat ik veel bewondering koester voor oude of zieke mensen, die zo mooi in het leven staan ondanks soms zware beperkingen. Iemand die mij in dit opzicht inspireert is: Maria Rozenboom; waar haalt ze de moed vandaan? Altijd blij, altijd goede moed! Eigenlijk kan ik er zo nog een paar noemen, die in dit rijtje passen: mevrouw Franken, mevrouw Heutz: altijd positief, altijd blij. Als je mij de gelegenheid biedt om een paar mensen aan tafel te nodigen, dan zijn zij het, die mogen aanschuiven; ik zou dan met hen willen praten over: waar haal je het toch vandaan om zo kranig te zijn?"

Hier eindigt het gesprek met Joke; zij heeft Willemien Zenden gevraagd om het stokje van haar over te nemen; naar dat verhaal kunt u uitzien in het volgende parochieblad.

Geert Bles

Karolina Renckens

We ontmoeten elkaar voor dit gesprek op zondag 28 mei in de Andreas; we hebben zojuist een mooie eerstecommunieviering gehad met communicantjes van De Pyler; Tom Dumoulin hijgt de laatste kilometers naar de finish in de Giro d'Italia en voor Roda is nog onzeker of het 'Ere' of 'Eerste' wordt. Karolina vertelt, ik luister:

"Karolina wordt in de Andreasparochie Karolinka genoemd. Mijn vader is rasechte Limburger, mijn moeder is van Polen, en ik heb nog een oudere zus. Ik heb de lerarenopleiding geschiedenis gedaan, en ga nu voor mijn diploma wiskunde; dit laatste zou ik graag afgerond zien; het gaat naar mijn zin te langzaam; ik moet nog een stage zoeken. Ik heb geen vast werk; wel doe ik hier en daar vervangingen en allerlei klussen via een uitzendbureau.

In de Andreas ben ik gedoopt en heb er mijn eerste communie gedaan; toen ik in groep acht zat in 1999 ben ik acoliet geworden en ben nu al acht jaar lector. Vanwege mijn familie in Polen kom ik daar ook in de kerk; volgens mij zijn de vieringen er meer traditioneel; men gebruikt geen boekjes zoals hier; alles gaat uit het hoofd; in de Andreas is de liturgie vrijer, niet zo vol-gens het boekje; in Polen zijn de vieringen krachtiger; misschien ligt dat ook aan het aantal mensen dat kerkt en heeft het iets met het gebouw te maken. Ik ben een viertal jaren geleden ook in Rome geweest; daar is het weer heel anders. Eigenlijk voel ik me wel goed in elke kerk en in elke viering; ik heb niet zo'n duidelijke voorkeur; zelfs in een protestantse viering ben ik verschillende keren geweest. Ik ben meer een 'shopper'; ik voel mij nog te jong om vaste keuzes te maken; misschien is dat ook iets meer voor ouderen.

Kerk betekent voor mij: een plek waar men elkaar ontmoet, tot zichzelf en tot rust komt. Ik denk bij kerk niet zozeer in termen van een boodschap uitdragen in de samenleving; ik vind gewoon mijn levenswijze belangrijk; iedere mens telt; ik heb bij voorbeeld een bloedhekel aan discriminatie; ik zie wel wat op mijn weg komt. Als ik het over 'elkaar ontmoeten' heb, dan wil ik toevoegen dat ik voor een goede communicatie lijfelijke aanwezigheid belangrijk vind. Een computer of mobieltje is handig, praktisch en zakelijk, maar heeft m.i. niet met echte communicatie te maken; daar is persoonlijk ontmoeten voor nodig en elkaar in de ogen zien; want dan is het ook mogelijk de waarheid te zeggen en zo nodig bij te stellen zonder te kwetsen.

Je vraagt mij: hoe sta je in het leven? Op dit moment ben ik niet ontevreden, niet ongelukkig, maar ook niet heel tevreden en gelukkig. Van nature ben ik vrolijk, maar de laatste tijd soms wel wat somber. Dat heeft vooral met mijn opleiding te maken, die nog niet af is. Ik voel me daarom wat onzeker en vraag mij af: wanneer ben je goed genoeg om les te geven? Mijn begelei-ders zijn daarin niet duidelijk, zeggen niet klaar en helder waar het in zit. Dit is eigenlijk het voornaamste wat me dwars zit en soms somber maakt. Ik heb een tijdje een vaste relatie gehad, maar op het ogenblik niet; mijn hoofd staat er niet naar; ik voel mij nog jong en pluk de dag nog; ik denk niet over de dag van morgen; de tijd is nog niet rijp; eerst moet mijn opleiding af zijn. Wat mijn leven echt zin geeft is verbondenheid. Daarom is mijn familie zo belangrijk voor mij; met hen voel ik mij bijzonder verbonden. Je vraagt mij naar mijn bijdrage als mens aan een betere wereld. Ja, natuur-lijk wil ik mijn steentje bijdragen aan de maatschappij, maar ik ben daar nu nog niet zo mee bezig; het komt wel op mijn pad.

Omdat Karolina nog moet koken, ronden wij hier het gesprek af. Zij wil graag het stokje doorgeven aan een ouder iemand van de parochie; het wordt Joke Adriaansen; hààr verhaal leest u in het volgende parochieblad.

Geert Bles

Huub Vervoort

Het is woensdagmorgen 19 april, als wij in de koffiekamer van de Andreas zitten, startklaar, een Haags kopje koffie - door Huub gezet - binnen handbereik (een 'must', zegt hij, 'anders start mijn dag verkeerd'). Ik zeg dat ik mijn dag graag begin met een half uur brevieren; Huub haakt daarop in; ik luister:

"Brevieren is toch iets van de vorige generatie; ik herinner me dat van mijn oom, Jacques Erens, die pastoor was ergens in Frankrijk; hij was dat verplicht elke dag. Vandaag praten we toch meer van 'mindfulness' of zoiets. Ik trek mij dagelijks tussen de middag een kwartier terug, om te mediteren, niet omdat het moet, maar uit behoefte. Die behoefte ontstond toen ik werkte op de intensive care en vaak werd geconfronteerd met kwesties van leven en dood, ook van jonge mensen en kinderen. Ik wilde dan graag in stilte wat nadenken over de vraag: is dat nu wat God wil? Toen dat ook speelde in eigen familie en gezin, hebben we contact gezocht met pater Max van der Schoot van de Bernardinus. Hij gaf ons het bekende boekje te lezen van Kushner: Als't kwaad goede mensen treft. Langs deze weg groeide onze belangstelling voor de kerk, en ook het begrip voor de veranderingen in de kerk in die periode: niet zozeer de verplichtingen en het moeten volgen van regels, maar de eigen keuze, motivatie en behoefte aan diepgang. Via pastor Brouwers zijn we bij de Andreas terecht gekomen. En dat voelt nog altijd als een thuiskomen. Het laagdrempelige is de kracht van deze kerk, en het feit dat het verhaal van de Bijbel vertaald wordt naar vandaag. Vroeger had ik wel het gevoel dat het een mis moest zijn - dat waren we van huis uit gewend, dat hoorde zo - , maar dat is gaandeweg veranderd. Nu voel ik steeds meer dat het gaat om het samenzijn en het samen vieren als gemeenschap, waarin ruimte is voor eigen keuzes, eigen inbreng, en het samen zoeken naar diepgang. Dat samenzijn in gemeenschap mag dan eucharistie zijn, maar ook een andere vorm van vieren.

Ik ben in 1956 in Heerlen geboren, in 1979 getrouwd met Lily. We zijn gelukkig en hebben twee kinderen. Ik heb altijd in de zorg gewerkt, aanvankelijk in de zwakzinnigenzorg, daarna vele jaren op de intensive care en nu als senior inkoper. Ik ben opgevoed 'om van een dubbeltje een kwartje te maken'; omdat mijn vader een melkhandel en grossierderij had, stond de klant altijd centraal. Ik heb die gedachte meegenomen in de zorg en leg de lat heel hoog. Ook de patiënt op onder andere de intensive care stond voor mij centraal; het was mijn taak om te zorgen dat hij/zij zich goed voelde en kon vertrouwen dat het goed komt. Die persoon ben ik ook nu ik meer betrokken ben geraakt bij de Andreas, als koster en bestuurslid. 'Als het goed gaat, doe ik een stapje terug', is eigenlijk mijn stelregel; als de ander het alleen kan, moet ik een stap terug doen, terugtreden en loslaten."

N.B. Toen ik (G.B.) suggereerde, dat ik die stelregel liever zou omdraaien in 'ik doe een stap terug, om de ander uit te dagen het alleen te doen', ontstond daarover een interessante discussie. Maar Huub gaat door: "Als mijn klant tevreden is, als het mijn kinderen goed gaat, als de patiënt op de IC rustig is en voelt dat het goed komt, als het in de kerk goed gaat, alle voorwaarden daarvoor aanwezig zijn, dan ben ik tevreden en voel ik mij gelukkig. Zo zal ik hopelijk ook op het einde van mijn leven kunnen terugkijken, als ik afscheid moet nemen van alles en iedereen die mij dierbaar is. Wel zou ik daar graag de tijd voor krijgen, om nog te kunnen zeggen wat misschien nog niet gezegd is. Ik ben er wel van overtuigd dat er na dit leven nog iets is: een staat van rust, van evenwicht, van 'alles is in balans', van verbondenheid en thuiskomen. Als je mij ten slotte vraagt naar een inspirerend persoon in mijn leven, dan is dat voor mij Mahatma Gandhi, vanwege zijn levensfilosofie 'ahimsa': wijsheid, balans, zoeken naar dialoog en zijn hart voor de zwakkeren."

Hiermee komt ons gesprek ten einde; het stokje wil Huub graag doorgeven aan Karolinka Renckens

Geert Bles

Tiny Legius

Een bescheiden man, die niet gauw op de voorgrond treedt, rustig en trouw zijn werk doet als collectant en koster, die zonder mankeren op elke eerste dinsdagavond van de maand - samen met zijn vrouw Monica - deelneemt aan de Afghaanse maaltijd op Corisberg; dat was het beeld dat ik had van Tiny, die toch al heel wat jaren meeloopt in de parochie. Wie schetst mijn verbazing toen ik echt in gesprek kwam met hem op 21 maart, 's middags in de huiskamer van de Andreas, en hem vroeg wat hij gedaan had op die eerste mooie lentedag. Hij veerde op, het leek in de roos geschoten. Ik luisterde:

"Vandaag heb ik weer iemand die 80 geworden is, bezocht. Ik ben sinds drie jaar een van een team van tien vrijwilligers bij Alcander die dit werk doen in Parkstad. Namen zijn ons niet bekend; we krijgen ze van Alcander; het bezoek is eenmalig. Ik bezoek er wekelijks twee, op dinsdagmorgen een en op woensdagmorgen een. Doel is dat mensen niet vereenzamen. Meestal zit dat ook wel goed, maar als het nodig is wijzen wij op contactmogelijkheden of instanties. Dit is het werk dat ik graag doe als vrijwilliger. Ik ontmoet bij die mensen nogal eens eenzaamheid en behoefte om te praten. Dat leidt vaak tot mooie, zinvolle gesprekken, wat mij veel voldoening geeft.

Ik ben geboren in 1950 in Wintelre, een dorp bij Eindhoven. Heb de HBS gedaan in Eersel, daarna de TH in Eindhoven. Ik heb toen tien jaar gewerkt in Heerlen bij Computer Center Limburg, een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken die nu niet meer bestaat. Vanaf 1986 werkte ik bij ABP in de automatisering, tot 2013; toen ben ik vervroegd met pensioen gegaan. Eind jaren zeventig ontmoette ik Monica; met haar ben ik in 1980 getrouwd. Wij woonden in Heerlen eerst aan de Sittarderweg, even in Douven Weien en daarna op het Eikske, maar sinds 1987 aan de Sikkelhof. We hebben twee lieve dochters en sinds tien maanden zijn we de trotse grootouders van een kleindochter. We werken/werkten allemaal in de zorg. Dat is misschien ook wel waarom ik als vrijwilliger bij Alcander terechtgekomen ben.

Ik werk al jarenlang als vrijwilliger in de Andreasparochie, als collectant en koster. Ik doe dat met plezier, want de sfeer in de parochie spreekt mij aan. Die herinnert mij aan de pastoor van mijn jeugd in de zestiger jaren in Wintelre: een heel open en hartelijke man die veel deed voor de mensen, vooral voor de jeugd. Ik vind de leer in de Kerk niet zo belangrijk; het gaat, dunkt me, veel meer om: er voor elkaar zijn, voor elkaar zorgen in de gemeenschap. Daarom is paus Franciscus ook zo geliefd, en luisterden mensen indertijd zo graag naar bisschop Bekkers van Den Bosch, die met zijn tv-toespraakjes het bolwerk van leer en dogma's openbrak.

Als je me vraagt naar een inspirerend persoon in mijn leven, dan heb ik ze eigenlijk al genoemd: die pastoor van Wintelre, bisschop Bekkers en paus Franciscus. Andere individuele mensen noemen vind ik eigenlijk moeilijk; ik zou liever op de hele groep wijzen die zich in de parochie met zoveel enthousiasme inzet voor anderen; hun betrokkenheid en inzet vind ik inspirerend. Dat vind ik ook van Basira met haar inzet voor vrouwen en meisjes in Afghanistan. Als we zo met elkaar omgaan als mensen, is het leven mooi. Als we op het einde zó op ons leven kunnen terugkijken - en ik hoop dat ik dat kan - dan is het toch goed, en hoeven we niet bang te zijn voor de dood. Op de een of andere manier - geloof ik - gaat ons leven, wat wij er van gemaakt hebben en hoe wij het hen voorgeleefd hebben, wel door in anderen. Daar heb ik vrede mee.

Ik zou samen met mijn vrouw Monica best eens aan tafel willen zitten met Basira, en dan met haar praten over alles wat ons bezighoudt."

Hiermee moesten we ons gesprek afronden. Ik ken Tiny Legius nu een stuk beter. Het verhaal van Huub Vervoort zullen we in het volgende parochieblad lezen, want aan hem heeft Tiny het stokje doorgegeven.

Geert Bles

Piet Trepels

Aan de wand in de woonkamer hangen spreuken, en de boekenkast staat vol literatuur, over 'geluk'. Piet is daar blijkbaar veel mee bezig. Ik pik er één spreuk uit: 'Geluk is het enige wat zich vermenigvuldigt als je het deelt.' Wij zitten aan tafel met koffie en een appelflap. Hij vertelt, ik luister:

"Ik ben geboren in 1935 in Maasbree, een nakomertje uit een gezin van zeven, vijf jongens en twee meisjes. Ik heb nog een broer in leven; hij is zes jaar ouder. Ik ben een gelukkig mens; ik denk dat ik dat meegekregen heb van mijn vader; hij had een bakkerij en stond altijd klaar voor anderen, vooral in de barre oorlogsjaren. Pas als je het zelf bent, ben je in staat om een ander gelukkig te maken. Ik lees er veel over. Het is belangrijk in mijn ogen dat je de ruimte krijgt om uit te groeien tot wie je bent en niet op de tenen hoeft te lopen om te beantwoorden aan een beeld dat je opgedrongen krijgt. Belangrijk is ook dat je altijd uitgaat van het goede in anderen, altijd vertrouwen schenkt. Geluk heeft niet te maken met materieel bezit, genoeg is genoeg. Het heeft eerder te maken met immateriële dingen, zoals met goede contacten, niet oppervlakkig maar diepgaand. Je wordt niet ongelukkig door wat je overkomt, door tegenslagen, door ziekte of verlies van mensen die je dierbaar zijn; wat telt is: hoe je ermee omgaat. Ik heb dat vooral ervaren in de laatste tien jaren; mijn vrouw Fiet woonde vanwege dementie in Bergweide; die tijd heeft mijn leven verrijkt. Ze is kort geleden gestorven; ik ging bijna dagelijks naar haar toe; ik koester haar taal zonder woorden: haar oogopslag en glimlach. Als zij nu zou kunnen spreken, wat zou zij me dan te vertellen hebben over die tijd?

Je vraagt mij hoe ik ooit betrokken ben geraakt bij de parochie Andreas. Bij de oprichting van de parochie, veertig jaren geleden, werd ik gevraagd door pastoor Widdershoven voor de financiën; ik ben tien jaar penningmeester geweest in het bestuur, en ben vandaag nog administrator, coördinator van de kosters/collectanten en voorraadbeheerder. Ik heb van dichtbij de kerk zien veranderen: In het begin speelde het kerkgebeuren zich vooral af binnen de muren, vandaag richt het zich naar buiten, op de samenleving: vluchtelingen, verslaafden, Afrika, armen hier, enz. Ik voel mij bevoorrecht daarin mee te mogen doen; je krijgt er veel voor terug. Zo is mijn denken over de taak van de kerk in de wereld over de jaren gegroeid. Als het in gesprekken over de toestand in de wereld gaat, beluister ik vaak fatalisme en cynisme: 'Wat kunnen wij eraan doen? Het wordt toch nooit wat! etc.' Nu heb ik een antwoord paraat: wij mogen niet bij de pakken neerzitten, we hebben een opdracht: samen op de plek waar wij staan te werken aan een mooiere wereld, aan de hemel op aarde. De hemel is hier: samen op weg, samen in beweging naar die mooiere wereld hier, samen in verzet tegen alle rottigheid nu. De hemel later zal wel goed zitten; dat laten we aan de lieve God over. Teresia van Avila zei het zo: 'De hele weg naar de hemel is de hemel.'

Als je mij vraagt of er mensen zijn die me geïnspireerd hebben of inspireren in mijn leven, dan denk ik spontaan aan paus Franciscus vanwege zijn liefde en openstaan voor de minst bedeelden, en aan mijn vrouw Fiet en aan onze vriend Frans Reinders vanwege hun pure reageren op 'gezien worden'. Als je mij de gelegenheid biedt om met drie mensen uit te gaan eten, dan zou ik dat graag doen met Wil, de jongste zus van Fiet uit Meppel, met een van mijn kinderen en een van de kleinkinderen; van elke generatie een om samen nog eens te praten over wat we voor elkaar betekend hebben of nog betekenen."

Op dit punt aangekomen vonden wij de tijd gekomen om het gesprek af te ronden. Piet geeft het stokje door aan de koster Tiny Legius; zijn verhaal zal verschijnen in het volgende parochieblad.

Geert Bles

Martijn Somberg

'Wie groot wil zijn, past bescheidenheid. Want dan komt de ander tot recht, en komt zelf in beweging'. Deze gedachte was het leidmotief in de bezinning die Martijn gegeven heeft op zondag 29 januari, en klinkt ook door in het gesprek dat wij daarna hebben in de koffiekamer van de Andreas. Hij vertelt zijn verhaal, ik vraag hier en daar, en luister:

"Ik ben geboren in Twente, 38 jaar geleden, en heb nog een drie jaar jongere zus. Toen ik 10 jaar was, zijn wij naar Limburg gekomen. Ik woon nu in Bocholtz, ben getrouwd met Petra; we zijn de trotse ouders van twee kinderen, Lieke en Fleur. Ik ben onderwijzer, en momenteel directeur van de ABBS Meander basisschool in Brunssum.

Ik ben gelukkig in mijn gezin en in mijn werk. Op beide terreinen is het woord 'bescheidenheid', dat ik vandaag gebruikt heb in de viering, voor mij heilig. Goed leiderschap duldt geen opleggen van gedachten en gedragsregels, maar respecteert wat in de ander leeft of tot leven wil komen. Ik heb ervaren in mijn jeugd, hoe wezenlijk dit is. Daarom is het zo fijn om op school met een hecht team van mensen samen te werken, die daar ook in geloven, en met hen die benadering in de praktijk te toetsen. Wij beleven er samen veel plezier in, als wij zien dat kinderen zo tot hun recht komen, gaandeweg sterker worden en eigen stappen durven zetten op hun levenspad. Deze benadering koesteren wij als ouders ook in ons gezin. Natuurlijk hoort het erbij dat kinderen in dit groeiproces soms twijfelen of hun grenzen opzoeken, en dat het incasseringsvermogen van ouders wel eens op de proef wordt gesteld.

Deze grondhouding van bescheidenheid en respect proef ik ook bij de Andreasparochie. Dat is de reden dat ik daar terecht gekomen ben en me daar zo thuis voel. Vroeger voelde ik in de kerk vaak dominantie; er werden meningen en beperkingen opgelegd die je weinig ruimte lieten om zelf na te denken en eigen verantwoordelijkheid te nemen in je leven; en soms is dit vandaag nog zo, vind ik. Maar in deze parochie voel ik mij thuis; er wordt je niet de maat genomen, je mag zijn wie je bent, er is wederzijds respect en er wordt naar je geluisterd; je mag anders denken en anders zijn. Bovendien word je uitgenodigd om eigen talenten in te zetten en medeverantwoordelijk te zijn voor de gang van zaken. Het voelt als een hechte gemeenschap, waar iedereen welkom is. Wat mij aanspreekt is dat de parochie oecumenisch is en uitdrukkelijk verbinding en samenwerking zoekt met de protestantse gemeenten in de stad. Maar vooral ook dat zij diaconie als opdracht van de kerk ziet. Het gebouw zelf is aantrekkelijk vanwege zijn grote eenvoud en sterke symboliek; kleur en materiaal hebben een verhaal; de kring van twaalf lichtzuilen betekent licht en warmte en nodigt uit tot verbintenis met traditie en met elkaar. Ik ben betrokken bij de kerk als lector in de vieringen, en beschouw het als een voorrecht, wanneer ik gevraagd word de overweging te houden.

Het leven is volgens mij mooi en zinvol, wanneer je je geroepen voelt om een bijdrage te leveren aan een mooiere wereld voor iedereen en ook perspectief ziet. Goede relaties, vriendschap en zorg en aandacht voor elkaar zijn daarvoor wel belangrijke bouwstenen. Als ik drie mensen mag noemen, met wie ik aan tafel zou willen zitten, dan is dat Sander Dekker, de staatssecretaris van onderwijs, om over mijn werk te praten; ik denk niet aan cijfers, aan geld en aan toetsen (targets), maar veel meer aan waarden en normen met het oog op een andere wereld. Een tweede die mag aanschuiven is Annie, de overbuurvrouw; zij heeft pas haar man verloren en kort daarna ook nog haar zoon; hoeveel kan een mens hebben? Ik bewonder haar hoe zij het leven weer oppakt. En wat zou ik ook graag mijn oma vragen, maar zij is tien jaar geleden gestorven; zij is mijn boegbeeld en heeft veel voor mij betekend in mijn jeugd; ik denk nog elke dag aan haar. Ik wil het stokje graag doorgeven aan Piet Trepels; ik ben geraakt door de manier waarop hij praat over zijn vrouw die pas gestorven is."

Hiermee hebben wij dit verrijkende gesprek afgerond.

Geert Bles

Samanta

Tegenover mij in de koffiekamer van de Andreas zit Samanta. De eerste jaren van haar leven - vol van oorlogsgeweld, dreigingen, gevaar voor eigen leven, moordpartijen - hebben blijkbaar zo'n onuitwisbare indruk gemaakt, dat zij alleen maar dankbaarheid kan voelen. Wij zijn gespaard gebleven. Aan wie hebben wij dit te danken? De naam van God - 'Ik ben er' - valt hier, wordt gekoesterd en loopt als een rode draad door haar verhaal. Zij vertelt, ik luister:

Ik ben geboren in 1991 in wat toen nog Joegoslavië heette, maar nu Bosnië is, in de plaats Zenica. Wij waren de enige katholieken in een wijk die voornamelijk uit moslims bestond. Spanning tussen christenen en moslims was er altijd, maar is in 1990 geëxplodeerd. Veel mensen zijn vermoord, maar wij zijn gespaard gebleven. Waarom? In 1994 is ons gezin met twee kinderen (ik en mijn 1 jaar oudere broer) gevlucht. We zijn in Nederland terecht gekomen en hebben eerst een tijdlang gewoond in het toenmalige azc in Schimmert. Toen wij status kregen, mochten wij naar Heerlerbaan.

Als trouwe katholieken zochten wij direct naar een katholieke kerk. De Andreas lag vlakbij, en zo is het gekomen. Toen mijn broer en ik ongeveer acht jaar oud waren, heeft iemand - ik weet niet wie - mijn moeder gevraagd of wij misdienaar mochten worden. Acht jaar later, toen ik zestien was, werd ik gevraagd om lector te worden. Ik vind dat fijn en ben gelukkig in de Andreas; het voelt als mijn tweede thuis. Iedereen is er welkom. Mochten er mensen zijn die daar niet zo zeker van zijn, worden ze vaak met name genoemd: homo's, lesbiennes, gescheiden mensen, etc., en dat is heel bijzonder. Er wordt gefocust op saamhorigheid en zorg voor elkaar, en dat is er inderdaad. De diensten vind ik goed, vooral het feit dat de boodschap zo begrijpelijk wordt gebracht en gekoppeld wordt aan dingen die actueel zijn. Ook dat ons niet wordt opgedragen wat ons te doen staat, maar dat we uitgenodigd worden om zelf na te denken en zelf stappen te zetten.

Je vraagt me naar een inspirerende persoon in mijn leven? Die vraag overvalt me, maar ik noem nu spontaan mijn moeder; zij heeft zoveel meegemaakt en achter moeten laten toen zij met ons moest vluchten naar een vreemd land; en hier heeft zij zo resoluut die bladzijde omgeslagen en alles van onderop opgebouwd, de taal geleerd en allerhande opleidingen gevolgd. En dat moest allemaal naast de zorg voor het gezin. Zij was/is sterk; ik ervaar haar als streng, maar altijd rechtvaardig. Zoals ze is, is ze een inspirerend voorbeeld voor mij; ik ben trots op haar.

Belangrijk in mijn leven zijn twee dingen, die volgens mij te maken hebben met God en met geloof; die twee dingen kan ik ook niet los van elkaar zien: dankbaar zijn en kunnen vergeven. Dankbaar zijn tegenover God voor wat je hebt; dankbaar zijn zoals de dingen gaan; ook ja kunnen zeggen en dankbaar zijn als de dingen anders lopen dan verwacht; ook dan vol overgave 'uw wil geschiede' kunnen zeggen. Het tweede, het kunnen vergeven, ligt in het verlengde van het eerste, meen ik. Als de ander stappen zet, die niet de mijne zijn of mij kwetsen, dan daar niet over oordelen, maar het oordeel aan God overlaten; de ander kunnen vergeven en ruimte schenken om zijn/haar eigen weg te volgen. In dit alles voel ik God vertrouwvol aan mijn zijde. Daarom maak ik me eigenlijk ook weinig zorgen in het leven, en ook niet over de dood. Het komt zoals het komt, en zo moet het zijn. Ja, Gods naam 'Ik ben er' loopt inderdaad als een rode draad door mijn leven.

Als mij de gelegenheid geschonken wordt om samen met een paar mensen uit te gaan eten, dan noem ik als eerste mijn oudere broer, omdat we samen zoveel hebben meegemaakt: de oorlog, het moeten vluchten, als kind in een vreemd land opnieuw beginnen, samen misdienaar geweest. Verder zou ik zuster Mariet daarbij willen uitnodigen vanwege de mooie uitleg die zij altijd gaf bij de teksten die wij moesten lezen als lector. En ook Geert Bles, die in zijn houding en in zijn overweging nooit dwingend is maar ruimte laat om zelf na te denken, zelf beslissingen te nemen en eigen stappen te zetten.

Hiermee liep het verhaal van Samanta naar het einde. Zij heeft Karolinka Renckens gevraagd of die het stokje wil overnemen. Dat zal dan in het volgende parochieblad komen.

Geert Bles

Marga Peters

"Al wat gij gedaan hebt voor een van de geringsten van mijn broeders of zusters, hebt ge voor Mij gedaan". Deze woorden van Jezus in hoofdstuk 25 van het Matteüs-evangelie, waar het gaat over de aandacht voor kwetsbare mensen in onze samenleving, blijken ineens belangrijk voor Marga. Ik had een gesprek met haar op vrijdag 25 november in de koffiekamer van de Andreas.

"Het geloof is voor mij belangrijk", zegt ze, "het geeft mij houvast; er is meer tussen hemel en aarde; ik geloof dat de schepping Gods werk is; als ik tot Hem bid ontvang ik hulp en troost; het geloof heeft te maken met hier en nu, met vallen en opstaan. Maar of het ook iets te maken heeft met mijn handel en wandel buiten, met mijn thuis- of werksituatie, met collega's die verdriet of problemen hebben, nee, dat denk ik niet; het staat daar los van volgens mij."

Marga aarzelt, als ze mijn verraste blik ziet; ze krijgt geloven en dagelijkse levenspraktijk niet goed gerijmd, zegt ze dan. Nog altijd de verticale lijn, denk ik, de persoonlijke verhouding tot God, die het horizontale, de verhouding tot de medemens, domineert en daar los van koppelt. Ze straalt als ik doorvraag en haar confronteer met de tekst van Matt. 25, en met: 'waar twee of drie in mijn Naam aanwezig zijn, daar ben Ik in hun midden'. Ze gaat verder:

"Ik ben geboren in Meerssen in 1952 als derde in een gezin van vier. We waren niet rijk, maar een echt katholiek gezin; we gingen elke dag naar de kerk. Ik was als tiener actief in het jongerenkoor; ik liep mee in de Pax Christi voettochten. Ik kreeg de kans om mulo te doen; daarna heb ik altijd administratief werk gedaan op kantoor, tot op vandaag. In 1972 ben ik getrouwd in een oecumenische viering omdat mijn man Fred niet katholiek is; we hebben twee kinderen, en twee kleinkinderen. We hebben aanvankelijk gewoond in Schaesberg, daarna in Geleen en sinds 2005 in Kerkrade.

Toen mijn jongste broer in 1981 plotseling overleed, begon voor mij een nieuwe belangrijke fase. Daar in de Pastoor van Arsparochie ben ik weer actief en met plezier betrokken geraakt bij de kerk, als cantor, als lector en als lid van het kerkbestuur. Pastoor Frans Heggen heeft daarin een belangrijke rol gespeeld; hij daagde mij uit en gaf mij vertrouwen. In 2005 in Kerkrade zocht ik een parochie die iets had van de spirit van de Pastoor van Arsparochie. Door een tip van pastoraal werker Hans van Druten in Geleen kwam ik terecht bij de Andreasparochie in Heerlerbaan. Ik voelde mij hier direct thuis; het voelde als een 'warme deken' zoals in de Van Arsparochie; hier vind ik rust en mag ik mijzelf zijn.

Ik ben in de Andreas actief in de cantorgroep en als lector; ik vind het fijn als wij als groepje lectoren samenkomen. Er ontstaan dan soms waardevolle gesprekken, waarin ik vooral nieuwsgierig ben naar - en geïnspireerd word door - de inbreng van de jongeren. Zij durven te zeggen wat zij denken; hun open houding boeit me. Toen wij jong waren keken we veel meer naar wat van ons verwacht werd, en hielden we onze mond als dat niet paste. Is die openheid niet een verworvenheid van de opvoeding van deze tijd, dat de jeugd ertoe uitgedaagd wordt te zeggen wat ze denken en voelen? Ik blijf ik die open houding boeiend vinden.

Ik zou best wel eens een paar mensen rond de tafel willen uitnodigen; dat zouden dan zijn mensen als Dolf, Eline, Annemarie, Karin en Nan; zij zijn zo actief in de parochie; ik zou willen weten hoe zij dat allemaal kunnen rijmen met hun gezin, met hun werk, hun hobby's en andere verplichtingen. Voor de dood ben ik niet zo bang; wat mij wel bezig houdt is de zorg dat mijn leven niet van belang is geweest, dat je net zo goed niet geleefd zou kunnen hebben." Zo eindigde ons gesprek op het thema 'voltooid leven', dat vandaag-de-dag ter discussie staat in ons land.

Dit was het verhaal van Marga; zij wil graag het stokje doorgeven aan Samanta Beganovic, een van de jongeren in onze parochie, die ook lector is in de Andreas.

Geert Bles

Zr. Miriam Robertz o.c.

"Het mooiste geschenk dat een mens zijn Schepper kan geven is dat hij/zij het leven dat hij heeft gekregen, blij leeft." Dit zijn woorden van S. Augustinus, die Miriam dierbaar zijn, vertelt ze mij in het gesprek dat ik op 22 oktober met haar heb in de huiskamer van de Andreas.

"Ik ben geboren in 1933 in Geleen. Mijn doopnaam was Marquerithe, roepnaam Margo, maar omdat ik de jongste was van het gezin van vier noemden ze me ook wel Benjamin. Mijn vader, die hoofd was van de kamer van financiën op de staatsmijn Maurits, was erg godvruchtig, ging trouw naar de kerk en zou geen zondag overslaan. Mijn moeder, onderwijzeres, was ruimer van opvatting. Ik heb van beiden iets in mijn DNA, denk ik. Na mijn lagere school ging in naar het lyceum 'Jeruzalem' van de zusters Ursulinen in Venray, intern (mijn zusjes waren er al), maar dat vond ik maar niks. Na één jaar ben ik weggegaan en heb ik de lyceumopleiding voortgezet in Sittard, maar nu extern; dat voelde stukken beter. Daarna werd mij de gelegenheid geboden om een jaar kunstacademie te doen in Breda, om na te denken wat ik in mijn leven zou willen doen. Ik koos voor de opleiding 'kinderrecht en sociale raad' in Maastricht, van 1951 tot 1954. Toen ik dat af had, heb ik 4 jaar gewerkt bij 'Gezinsoorden' in Zwolle, een instelling van het Ministerie van Justitie, die gericht was op heropvoeding van asociale gezinnen. Daar ontdekte ik dat sociale problemen vaak diepere oorzaken hadden: mensen zoekend naar de zin van het leven.

In 1958 werd het mij duidelijk wat ik met mijn leven wilde. Ik wilde religieuze worden in een contemplatieve orde; een leven van stilte en gebed was wat ik zocht. Zo trad ik in bij de Karmelietessen op de Putgraaf in Heerlen; in 1963 volgde de bezegeling van mijn keuze in de plechtige professie. Het was de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie, dat een beroep deed op alle religieuze orden en congregaties om zich te bezinnen en te vernieuwen. Dit vond ook in de Karmel gehoor; het werd een moeizaam maar niet te stuiten proces, dat leidde tot de oprichting van een aparte groep binnen het klooster die een eigen levenswijze mocht volgen, bestaande uit: gemeenschappelijk leven, gemeenschappelijk gebed, een parttime baan en een eigentijdse theologiestudie. Na enige tijd werd het echter duidelijk dat deze vorm beter buiten Luciushof kon gedijen. Zo ontstond in 1970 de Titus Brandsma Karmel aan de Palestinastraat in Heerlerbaan.

Terzelfdertijd was er sprake van een nieuwe parochie in de wijk. Het lag voor de hand dat de Karmelietessen betrokken zouden worden bij het nadenken over de bouw, de architectuur en de inrichting van de nieuwe kerk in de geest van het Vaticaans Concilie. Wat mij bijzonder dierbaar is in deze kerk is de symboliek, het beeld van Moeder Aarde, maar vooral de ronde kring van de stoelen, die uitnodigt tot gemeenschap.

Ik heb twee personen, die mij bijzonder geïnspireerd hebben in mijn leven: de eerste is Marietje Filippetto, een Italiaans meisje, dat leefde van 1912 tot 1927 en moest vechten tegen een hardnekkige kinderziekte, een soort Lidwina dus. De tweede is Lien Warringa, die leidster was in Gezinsoorden in Zwolle; zoals zij in het leven stond, zoals zij zichzelf was en er was voor anderen, zette mij op het spoor van mijn roeping tot het Karmelleven. Hoe denk ik over de dood? Ik ben er nu niet bang voor. Wat erna zal zijn, ik weet het niet. Het leven hier is niet volmaakt, later zal het volmaakt zijn, maar hoe? Iets goeds, iets moois, dat denk ik wel; in ieder geval is de dood niet het einde.

Als ik de kans krijg om drie mensen aan tafel te nodigen, dan denk ik aan Jezus van Nazareth zelf in levende lijve, aan aartsvader Abraham over wie mijn exegeseprofessor Frits van Trigt zo boeiend vertelde, en mijn engelbewaarder die mij meerdere malen van de dood heeft gered. Maar als ik levende mensen mag noemen, dan denk ik aan: Marion Braad, omdat zij ondanks een eigen handicap zo blij kan zijn en invoelend voor anderen; vervolgens Jack Steeghs, vanwege zijn betrokkenheid bij de jeugd vandaag; en de derde zou zijn Joke Gehlen die in de programmaraad zit van 'De drie ringen', vanwege haar drive bij de ontwikkeling van deze streek en haar pogingen om mensen een geestelijk houvast te bieden."

Dit is het verhaal dat een beetje van 'de sluier' oplicht bij zuster Miriam; zij wil het stokje doorgeven aan onze lector Marga Peters.

Geert Bles

Sri Rijst

In het paspoort staat haar naam: Ursula Sri Taati, maar wij kennen haar in de parochie als Sri Rijst. Na een heerlijk rijstmaal bij haar thuis vertelt zij me haar levensverhaal. Ik luister geboeid:

"Ik ben geboren, als zevende van een gezin van tien, op 19 december 1950 in een dorpje in de buurt van Wonogiri op Midden Java. Wij hadden geen geloof, maar op school kregen wij uitleg over het christendom, over het moslimgeloof en andere godsdiensten. In de derde klas - ik was 9 jaar - konden wij dan een keuze maken. In overleg met mijn ouders - zij lieten mij heel vrij - koos ik voor het katholieke geloof. Ongeveer vier jaar lang kregen wij - een groepje van acht kinderen - op vaste tijden uitleg over de Bijbel, in de open lucht onder een boom. De catechist was een inspirerende man, die prachtige verhalen kon vertellen, met veel grapjes en humor, en de kern van de Bijbel wist over te brengen: het grootste gebod van de liefde. Nog klinkt het in mijn oren: 1 Korintiërs 13. Dit hoofdstuk hebben we vaak behandeld in de les en is mijn lievelingslezing uit de bijbel: 'Als ik de liefde niet heb, ben ik niets; de liefde is geduldig, etc. ' Het is de basis van mijn geloof; ik probeer elke dag daaruit te leven. Toen ik dertien was, ben ik gedoopt door de priester die elke maand in ons dorp kwam. Ik kreeg toen de naam Ursula. Tot mijn 18de ging ik naar de middelbare school in Wonogiri; daarna kreeg ik een baan als administratief medewerkster in de huishoudschool van de zusters Franciscanessen. Ongeveer in die tijd wilden ook mijn ouders katholiek worden en vroegen mij om iemand te zoeken, die hun les zou kunnen geven; ik vroeg natuurlijk dezelfde meester die mij had geleerd. Zij zijn ook gedoopt door dezelfde priester. Vijf kinderen in ons gezin zijn katholiek, vier moslim, en een protestant christen. De onderlinge band is heel hecht.

In 1983 leerde ik Boy Rijst kennen; hij is de man van mijn leven geworden. In 1987 zijn we getrouwd in Indonesië en ben ik met hem naar Nederland vertrokken. Dit was een grote stap. Ik heb mij in het begin eenzaam gevoeld in dit koude kikkerland en mijn familie erg gemist. Vooral in de jaren daarna, toen mijn vader, moeder, een broer en een zus stierven, heb ik ervaren wat het betekent niet bij je familie te kunnen zijn maar alleen te staan aan het andere eind van de wereld. Ik had nooit kunnen vermoeden wat echte eenzaamheid met een mens kan doen, je afgesneden te voelen van al je familie, alleen te staan met je verdriet. In al die momenten zocht - en vond - ik steun in de kerk. Dit was vooral het geval, toen ik in 1995 op de Heerlerbaan kwam wonen en bij de Andreas terecht kwam. Daar voelde ik mij thuis en welkom; daar voelde ik iets van familie. In 2005 stierf mijn steun en toeverlaat, Boy. Een heel verdrietig moment, maar ik heb de uitvaart als troostend en kostbaar ervaren, en zal dit nooit vergeten. Maar toch, ik stond toen weer helemaal alleen; ik had niemand meer om voor te zorgen; wat had mijn leven nog voor zin? Toen ik in 2008 door Eline gevraagd werd voor het kosterschap in de kerk, voelde ik mij gelukkig; ik had weer iets te doen, kon weer iets betekenen. Mijn geloof - ooit een weloverwogen bewuste keuze - is voor mij heel belangrijk geweest... en nog; ik weet niet of ik door moeilijke momenten heen gekomen zou zijn zonder het houvast van mijn geloof. Als ik een levensles met anderen zou mogen delen, dan zou het de les zijn die ik als kind kreeg van de catechist: breng de liefde elke dag in praktijk. Ik denk vaak: wat zou de wereld er mooi uitzien, als alle mensen het zouden doen!

En als ik tot slot enkele mensen aan tafel zou mogen uitnodigen, dan zijn mijn gedachten onmiddellijk bij mijn overleden ouders, broer en zus. Ik heb nooit afscheid van hen kunnen nemen. Wat zou ik dat nog graag doen samen met Boy, mijn man."

Met deze wens besluiten wij ons gesprek. Ursula Sri Taati geeft het stokje door aan Zr. Miriam Robertz.

Geert Bles

Geert Bles

We kennen Geert Bles allemaal, maar we weten eigenlijk zo weinig van hem. Vandaar dat Wil aan hem het stokje had doorgegeven en ik vond het een eer om hem gedurende twee uur te interviewen.

"Ik ben geboren in 1927 in Dichteren, vlak bij Doetinchem en ik was een van de twaalf kinderen. Ik groeide op in een braaf katholiek boerengezin, waarvan de acht jongens allemaal misdienaar werden. We moesten ons altijd goed gedragen en dat betekende dat je je altijd moest aanpassen bij anderen. Pas later heb ik geleerd voor mezelf op te komen.

Ik zat op de lagere school toen op zekere dag de postbode aan de deur kwam met een klein pakketje - er zat een spaarpot in - van de paters Scheutisten. Er stonden drie missionarissen op met lange baarden, die vermoord waren in de Boksersopstand in China. Mijn vader gaf de spaarpot aan mij en zei: "Hier Geert, los jij dat maar op, in jou zit toch geen boer, dat heb ik allang gezien." Vanaf dat moment wilde ik missionaris worden. De pastoor zei: "Als je dat wilt, moet je naar de SMA gaan; die paters doen veel voor de missie." Dat wilde ik: werken bij de arme mensen in Afrika. Zodoende begon ik in september 1940 mijn opleiding op het seminarie (Nieuw Herlaer) van de SMA in St. Michielsgestel. In 1953, kort na de grote watersnoodramp, werd ik tot priester gewijd. In 1959 kreeg ik opdracht om mijn lievelingsvakken Grieks en Latijn te gaan studeren aan de Fordham University in New York. In 1962 ging ik naar Ghana om daar les te geven aan het seminarie bij Elmina. Een van mijn studenten was Peter Turkson. Hij werd later kardinaal en kreeg een hoge functie in het Vaticaan. Hij is ook de auteur van Laudato Si'. Ik heb nu nog wel eens contact met hem.

Toen ik in 1968 terugkwam in Nederland trof ik een stormachtige sfeer aan binnen de kerk. Na het Vaticaans Concilie (1962-1965) werd o.a. het celibaat ter discussie gesteld; veel priesters traden uit. In deze warrige tijd werd ik verkozen tot provinciaal van de Nederlandse SMA; een ware cultuurschok! Ik heb me toen soms eenzaam gevoeld en ook wel mijn vragen gehad bij het celibaat. Maar mijn roeping zat toch een laag dieper. Ik wilde koste wat het kost priester blijven. Maar zou het lukken? In die periode heb ik een aantal PRH-sessies (Personalité, Relations, Humaines) gevolgd in België, om tot beter inzicht in mezelf te komen; dat was heel kostbaar; ik ontdekte wie ik was en wat ik wilde. In 1987 werd er in de Andreaskerk gezocht naar priesters om voor te gaan in de weekeinden; er was namelijk een tijd lang geen pastoor. Ik voelde dat als een uitdaging om mijn - inmiddels totaal veranderde - opvatting van missie gestalte te geven: geen zieltjeswinnerij meer maar de 'leken' wijzen op - en coachen in - hun opdracht in de samenleving. Werken dus aan een lekenkerk, waar de diaconie een hoge prioriteit heeft: een gemeenschap van mannen en vrouwen, die hun eigen verantwoordelijkheid nemen en naar buiten treden om te werken aan een mooiere wereld (het rijk Gods). Die missie te verwezenlijken en aan zo'n kerk te bouwen is mijn droom. Zo zou ik na mijn dood ook graag herinnerd willen worden.

Als ik de gelegenheid zou krijgen om drie mensen aan tafel te nodigen, dan zou ik dat heel graag doen met Siapha Kamara, mijn beste vriend in Ghana, met Hub Schnackers, de vicaris van het bisdom, en met Jacq Starreveld van Schoon GMS. Ik zou dan in een heel open gesprek met deze drie willen praten over wat wij/zij zien als de missie van de kerk vandaag."

Na deze mooie woorden gaf Geert te kennen, dat hij het stokje zou willen doorgeven aan onze kosteres Sri Rijst; hij is nieuwsgierig wie er toch verscholen gaat achter die vriendelijke glimlach.

Hans Heijster

Wil Heijster-Thoen

"Bedaar mijn ziel dat ik niet op ze inbeuk en het kwaad doe dat ik niet wil en even rot ben als zij." Deze zin uit psalm 141, vertaald door Oosterhuis (150 Psalmen - vrij) sprak Wil aan en was de reden waarom zij Mandela zo'n geweldige man vond: vijfentwintig jaar opgesloten zitten op Robben Island en dan toch vrijkomen zonder haatgevoelens ten opzichte van het blanke regime. Deze zin bleek ook de kerngedachte te zijn waarin ze allengs in haar leven is gegroeid. Ik luister naar Wil aan de tafel aan de Oliemolenstraat.

Ik ben geboren in Rotterdam in 1936 als oudste van vier kinderen. Wij verhuisden in 1942 - het was oorlogstijd - naar Driebergen; bedoeld als tijdelijk, werd het toch definitief. Ik ben trots op mijn meisjesnaam Thoen en wil deze ook genoemd zien boven dit verhaal. Waarschijnlijk is het vanwege diezelfde 'trots' dat ik het als kind niet kon uitstaan dat alleen jongens misdienaar mochten zijn en meisjes niet. Ik vind het daarom heerlijk en bevrijdend dat in de Andreaskerk vrouwen net zo gewaardeerd worden als mannen.

In Zeist op de mulo ontmoette ik Hans, met wie ik later trouwde. Wij kregen vijf kinderen. Hij zat in het onderwijs en was betrokken bij het uitwerken en toepassen van nieuwe lesmethodes. In Almelo, waar hij pedagoog was, raakten wij bevriend met iemand uit Suriname die geïnteresseerd bleek in die aanpak en Hans uitnodigde deze in zijn land te introduceren. Die kans grepen we aan; we verhuisden met vier kinderen naar Paramaribo. Vermoedelijk is in die betrekkelijk korte periode - drie jaar - de bodem gelegd voor de sociale betrokkenheid van ons gezin.

Terug in Holland kwamen wij terecht in Heerlen, en raakten we vertrouwd met de HTP (later UTP) waar onze zoon Lex theologie studeerde. Daar kerkten wij, maar toen de UTP werd opgeheven moesten we uitwijken. We kwamen ten slotte terecht bij de Andreas. Deze kerk spreekt ons aan als gebouw, maar ook vanwege de sfeer, de zorg om elkaar en het feit dat diaconie zo'n hoge prioriteit heeft.

Toen de kinderen wat groter werden en ik meer ruimte kreeg, raakte ik geïnteresseerd in het Rode Kruis. Dat vroeg mij om enkele malen per jaar een week vrijwilligerswerk te doen in hun vakantiehuis IJsselvliedt voor zieken en ouderen in Wezep. Daar kwam ik in contact met aidspatiënten, die daar tweemaal per jaar een week mochten doorbrengen, en ben ik buddy geweest voor een aantal van hen. Dit was dankbaar werk, dat ik jarenlang heb mogen doen. Pater van Kilsdonk, de bekende studentenpastor in Amsterdam, vriend en toeverlaat van aidspatiënten, kwam dan altijd bij hen op bezoek. Wat een prachtig mens! In de Andreasparochie ben ik vrijwilligster in de pastoraatsgroep, die zich richt op de zieken en ouderen. Ik doe ook mee bij de activiteiten van de werkgroep Solidaridad, die zich bezig houdt met gerechtigheid in de wereld.

Wat mij in het evangelie bijzonder aanspreekt is het verhaal van Maria en Martha. In de hectiek van alledag voel ik erg de behoefte om tijd te nemen voor mezelf, in stilte na te denken over waar het echt om gaat in het leven, te luisteren naar de Man van Nazareth. Daar gestalte aan geven geeft mijn leven zin, en betekent voor mij geloven. Toevallig ben ik katholiek, maar mijn wieg had ook ergens anders kunnen staan. Het gaat er tenslotte om dat diepere en zinvolle in mij op te diepen, en van daaruit leven.

Hoe ik tegen de dood aankijk? De weg ernaar toe, het moeten loslaten, lijkt me moeilijk. De dood zelf betekent rust volgens mij. Ik praat vaak over mijn ouders, ofschoon ze al lang dood zijn. Zo hoop ik ook herinnerd te worden na mijn dood, als iemand die iets bijgedragen heeft aan een betere wereld. Als ik mensen aan tafel mag vragen, dan natuurlijk Hans, maar bijvoorbeeld ook paus Franciscus en misschien jou. Dit is zo'n beetje mijn levensverhaal. Het stokje geef ik door aan jou, als je dat goed vindt.

Dit was het moment dat Hans terugkwam van zijn dagelijkse wandeling; ons gesprek kon afgerond worden.

Geert Bles

Harry Kerckhoffs

Harry is geboren - vierde in een gezin van vijf - in 1948 kort na de oorlog op een juweeltje van een boerderij bij de Putberg aan de Daelse weg, een tijd die zinderde van geloof in en hoop op een nieuwe wereld, en van "Kom op, de schouders eronder, wij maken er samen iets moois van." Deze drijfveer heeft hij altijd sterk gevoeld, en hij gelooft dat in elke mens iets van vuur zit. Zo begon ons gesprek, ergens in een hoekje van de kerk, omdat er anders geen plek vrij was. Harry's stem en ogen verraden iets van vuur en betrokkenheid; ik luister.

"Ik was gefascineerd door de natuur, werkte graag op de boerderij en genoot van het ritme van dag en seizoen: hard aanpakken, maar ook op tijd pauzes. Omdat ik graag boer wilde worden, kwam van studie (Mulo en daarna MTS) niet zoveel terecht.

Ik was zoekend en vond in de bibliotheek in het tijdschrift 'Jonge Kerk' een oproep van Wim van Luijk OFM: 'Wie wil praten over geloof?' Deze oproep trok mijn aandacht; ik gaf me op en heb een paar jaar deelgenomen aan de maandelijkse bijeenkomsten in Eindhoven; die gingen niet over de leer, maar over: wat houdt je bezig. Daar, in die uitwisseling tussen jongeren is bij mij de liefde voor een andere kerk begonnen. Daar leerde ik ook de liefde van mijn leven kennen, Enny, die mij aanvoelde en veel in mij heeft teweeg gebracht.

Ik was inmiddels als technisch tekenaar werkzaam in Maastricht, maar voelde dat dit het toch niet echt was. Ik wilde iets voor mensen betekenen en solliciteerde daarom voor een functie op het internaat in Mariënwaard. Ik werd buiten verwachting aangenomen, op voorwaarde dat ik een passende opleiding ging volgen op de Sociale Academie. Eindelijk had ik mijn draai gevonden; ik genoot, ik groeide; ik werkte er ongeveer vijf jaar.

In 1977 stapte ik over naar een baan in Mondriaan. Omdat dit alles met zingeving te maken had, ben ik daarnaast theologie gaan studeren aan de UTP in Heerlen. In 1973 was ik getrouwd met Enny. Wij woonden aanvankelijk in Meerssen, later in Heerlen. Toen ik mijn theologie in 1998 afgerond had, solliciteerde ik als pastor in het ziekenhuis in Venlo. De dubbelfunctie - één dag Mondriaan, vier dagen ziekenhuispastor in Venlo - heb ik tot mijn pensioen in 2008 gedaan met veel voldoening.

Ik ben daarna betrokken geraakt bij de Andreas, omdat Eline mij gevraagd heeft. Deze kerk spreekt mij aan, omdat er de geest van het Vaticaans Concilie waait zowel in de symboliek van het gebouw als in de gemeenschap; mensen kennen elkaar en betekenen iets voor elkaar; er zijn geen knielbanken en het altaar staat op gelijke hoogte. Maar vooral het feit dat diaconie zo hoog in het vaandel staat is voor mij belangrijk. Een paar inspirerende mensen in mijn leven zijn de genoemde pater Wim van Luijk, maar ook pastor Ben Heijnens van de Annakerk; hij stelde de mens centraal, niet de leer. En natuurlijk bisschop Bekkers die verkondigde dat mensen ten alle tijde hun eigen geweten mochten en moesten volgen, een revolutionair geluid in de kerk in de zestiger jaren. Deze mensen hebben mij getoond wat geloven in feite is: het vuur dat uniek is en in elke mens zit naar boven halen.

U wilt weten hoe ik tegen de dood aankijk. Die hoort volgens mij gewoon bij het leven. Wat erna komt, ik weet het niet maar het heeft wel iets met hunkering naar geborgenheid te maken. Het is moeilijk te definiëren; daarom hou ik zo van gelijkenissen en verhalen, die je iets laten voelen van het mysterie.

Ik zou wel eens aan tafel willen zitten met drie andere mensen: met Geert Bles omdat ik voel dat hij op mijn golflengte zit, met medepastor Louis Klinkenberg van het ziekenhuis van Venlo omdat hij zoveel ruimte gaf, en met Mies Roeffen omdat zij indertijd de oproep in 'De Jonge Kerk' plaatste en ooit zei dat de oude kerk moet instorten en plaats maken voor iets heel nieuws".

Hier eindigde ons gesprek; Thea Klinkenberg kwam de kerk in om de doopvijver schoon te maken. Het stokje gaat naar Wil Heijster, die steeds voelbaar aanwezig is en voor anderen klaar staat.

Geert Bles

Marcel Mollink

Marcel komt uit een dorp onder de rook van Almelo, waarvan Herman Finkers zegt: 'Eén licht springt op rood, het ander op groen; in Almelo is altijd wat te doen.' Marcel heeft wat van Finkers, denk ik, spontaan, pretoogjes, hart op de tong, etc. Ik had een gesprek met hem; hij steekt van wal, ik luister:

In 1958 ben ik geboren in Fleringen als oudste in het gezin, katholiek opgevoed, ging iedere week naar de kerk, was misdienaar en volgde de geboden en verboden. Ik wilde onderwijzer worden en ging naar de Pabo in Hengelo. Daar kregen we theologie van Ans Bulthuis. Ik hoorde daar een totaal ander verhaal over Jezus dan thuis en in de kerk. Jezus had niets van doen met de geboden en verboden, met dwang en onvrijheid. Maar alles met vrijheid en bevrijding. In mijn hart voelde ik: Hier MOET,WIL ik meer van weten. In 1977 verhuisde ik naar Heerlen en ging theologie studeren aan de HTP. Achteraf zeg ik: Ik volgde de roepstem van mijn hart. Dat deed ik ook toen ik verkering had met een Duits meisje dat niet katholiek was. Mijn ouders verboden dit, maar dat sloeg ik in de wind. Dit voelde goed, heel goed om ook hier mijn hart te volgen. Nu was mijn vader alles behalve een strenge katholiek. Integendeel, hij had veel moeite met geloof en kerk. Hij had het gevoel dat hem veel was wijsgemaakt. En priesters vond hij vaak huichelaars. Mijn vader keek of ze ook deden wat ze zeiden. Mijn moeder was een hele religieuze vrouw. Ze geloofde niet in God, maar ze ERVOER God. En heel sterk toen ze kanker kreeg, helemaal aftakelde voelde ze de nabijheid van God. Dat kan me nog ontroeren. Ik voel me op spiritueel gebied kind van mijn ouders. Ik heb beiden in me. zowel mijn vader als mijn moeder. Wel heb ik in de theologiestudie behoorlijk geworsteld met God. Accent lag in de studie veel op de ander en werken aan een betere samenleving. Regelmatig voelde ik: Is that all? In 1986 kreeg ik een innerlijke ervaring die mijn hele leven op de kop zette. Ik ontmoette a.h.w. God in mezelf als pure liefde en vrede. Ik besloot om niet het pastoraat in te gaan, maar om de weg naar binnen te gaan. Ik wist van binnenuit: Ik moet, wil met mezelf aan de slag: afdalen in mezelf, helen van mijn wonden, luisteren naar mijn hart. En ontdekken wie ik ten diepste ben: een manifestatie van iets Groters, van God. Dan zie je dat je ALLES ontvangen hebt. Eigenlijk maakt je dit gevoeliger voor wat er in de buitenwereld gebeurt! En wil ik ook een klein steentje bijdragen aan een betere wereld. Dus niet alleen de weg naar binnen! Vandaar dat ik ook graag naar de Andreas kom: zo'n bijzondere plek. Hoewel ik daar de weg naar binnen wat mis. Van Geert leerde ik in het interview dat ik misschien deze twee polen te veel scheid. Het contact met de ander kan ook weer helend werken naar binnen toe. Ik ben heel blij met dit inzicht van Geert.

Hoe kijk ik tegen de dood aan? Ik ben bang voor aftakeling en ziektes. Ik ben onder de indruk van mensen die zware ziektes kunnen dragen. En dit is confronterend, zo van|: dit kan ook boven mijn hoofd hangen. Wat er na de dood gebeurt: ik hou van het niet-weten. Ik laat het in het midden. We zien het wel. Het is ook weer een nieuw avontuur. Ben wel benieuwd. Maar hoef het vandaag en morgen nog niet te weten. Het besef van vergankelijkheid maakt het leven ook intenser. En tegelijk ook beangstigend... je moet alles weer loslaten... wat een klus.

Leven is voor mij steeds meer: het ontdekken van mijn essentie. Het volgen van mijn roepstem. Niet alleen maar geld verdienen. Zuster Claudia zei ooit: Iets of Iemand is met jou bezig. Ik ben daar vast van overtuigd. Volg dit maar en er komt van alles op je pad. Zo kwam het werken met jongeren in Voerendaal op mijn weg. Ik kan genieten van de gesprekken met hen. Of van het project ma.stage rond de werken van barmhartigheid. We bezoeken dan bijv. de jeugdgevangenis, de Voedselbank, een Iraans echtpaar die jaren geleden zijn gevlucht. En dit kan de jongeren in hun hart raken. Wat ik ook inspirerend vind, is het vrijwilligerswerk op de Corisberg met verstandelijk gehandicapten. Ik leer zoveel van ze, ook rond mijn eigen handicaps. En veel leer ik van de opleiding die ik volg bij Will Heutz en Joep de Jong: Wijsheidsscholing. Een werkplaats om aan je essentie te werken met inzichten uit filosofische tradities van oost en west.

Als ik drie mensen aan tafel mag uitnodigen: Moeilijke vraag. Ja toch Jezus. Ik wil graag van hem weten wat hij nou eigenlijk heeft bedoeld. Ja, daar ben ik nog steeds zo benieuwd naar. En ik zou mijn vader en moeder uitnodigen. Ja goh wat zou dat ontroerend zijn elkaar te ontmoeten. En misschien zou ik Carin uitnodigen. Ze was een grote liefde en heb haar zo'n 40 jaar niet meer gezien.

Hier eindigt ons gesprek. "Wat was het een feest en verrijkend om zo met elkaar te praten en naar elkaar te luisteren, zeggen we tegen elkaar. Het stokje gaat van Marcel naar Harry Kerckhoffs.

Geert Bles

Brigitte Vogt

Ik ben niet voor niks op de wereld gezet, ik heb een bedoeling, een opdracht; ik mag mezelf niet verloochenen door me anders voor te doen dan ik ben'. Met dit gezegde van Brigitte is de toon gezet voor het gesprek met haar. In de koffiekamer van de Andreas vertelt ze mij haar levensverhaal

Ik ben geboren in Simpelveld, oudste uit een gezin van vier dochters, en woon er nog. Mijn vader had er een fabriek (ramen en deuren); mijn ouders maakten graag uit pure nieuwsgierigheid verre reizen naar andere culturen. Een goede vriend, die in dezelfde straat woonde, was missionaris en arts in Brazilië, en nodigde mij uit. In 1984 (ik was 22) ging ik erheen, woonde in de favela en werkte in een kindercrèche. Ik zag er de barre werkelijkheid en was geraakt door het gevoel voor mensen van deze missionaris en zijn sociale inzet, die niet werd gewaardeerd door de lokale kerkleiding. Hij heeft daardoor veel moeilijkheden ondervonden en was eenzaam.

Toen ik na vier maanden terug was in Nederland, kreeg ik een baan in het jeugdwelzijnswerk, mijn vak. Mijn ervaring in Brazilië bleef mij echter bezighouden; ik vond aansluiting in het Missionair Centrum in Heerlen. Vreemde culturen vind ik niet bedreigend maar verrijkend; ze wekken juist mijn nieuwsgierigheid. En altijd, wanneer ik mensen in nood zie of in armoede, kom ik in beweging. Ik ben trouwe kerkganger, maar de zorg voor mensen vind ik niet in alle kerken - waar het volgens mij gewoon hoog op de agenda hoort te staan - maar wel in de Andreas. Wat me in deze kerk ook zo boeit is dat leken - ook vrouwen - het woord mogen voeren en dat de priester luistert; ook dat het uitdrukkelijk gaat om de inhoud van de boodschap en om dialoog die men in gang probeert te zetten. Er wordt altijd een appèl op mensen gedaan om na te denken, om naar elkaar te luisteren, en de boodschap in de praktijk om te zetten. Daadwerkelijk geloven is voor mij dan ook het echte geloven: de boodschap van Jezus in onze tijd op onze eigen plek gestalte geven.

Een lied dat mij aanspreekt is de psalm 'want mijn herder is de Heer, nooit zal er mij iets ontbreken', vooral als dat vol vuur en met de armen omhoog gezongen wordt in het Braziliaans door mensen die bijna alles ontberen. Een inspirerend persoon in mijn leven is Dom Helder Camara, de bisschop van Recife. Hij zette mensen aan om na te denken over zichzelf. Hij preekte uit het hart, keek naar mensen en luisterde naar hen.

Ik heb niet zoveel met de dood. Ik ben er ook niet bang voor. Wij mensen zijn uniek, en hebben onze levensopdracht te vervullen, om de hemel hier op aarde te maken. Hoe het er later uitziet, weet ik niet. We moeten het leven niet willen beheersen: 'Het kump wie het kump'. Als je me vraagt of ik nog een levensles heb voor anderen, dan zeg ik spontaan: sta vaker stil, letterlijk, stil in het nu, en kijk om je heen, laat je verrassen.

Ik zou daarom ook wel een paar mensen aan tafel willen nodigen, bij wie ik een dergelijke levenshouding vermoed: Marcel Mollink met zijn pretoogjes; hij heeft geen pretenties, geen behoefte om zich te poneren, is tevreden met hier en nu. Ook zou ik Frans Reinders bij mij aan tafel willen hebben en naar hem luisteren; hij heeft zoveel te vertellen. En als derde Leopold Boers: hij was broeder oblaat van Maria, maar is weggestuurd; hij telde niet mee omdat hij weinig opgeleid was en eigenlijk niet 'paste' in een klooster met regels. Waarom die drie? Ik wil graag unieke mensen met elkaar in contact brengen en zien groeien.

Hier hebben we het gesprek moeten stoppen; de koffiekamer moest gestofzuigerd worden. Brigitte had nog net de tijd om het stokje door te geven aan Marcel Mollink.

Geert Bles

Connie Rutten

'Zo gauw de vijf vingers van je hand even lang zijn, hoef je niet meer te leren', zegt Conny Rutten in het gesprek dat ik met haar heb. 'We leren altijd' is haar levensles; ze vertelt me haar levensverhaal.

Ik ben geboren in Brabant, in Overloon, als tweede van zeven kinderen. Mijn vader was politieman en werd in 1956 - ik was negen - overgeplaatst naar Kerkrade. Mijn ouders waren goed katholiek, maar niet star; ze hadden een goed contact met pastoor Borghans. De oudste drie werden streng opgevoed, de jongeren kregen wat meer speelruimte. Zo gaat dat in elk gezin, denk ik, maar het hing ook in de lucht in die jaren.

De Andreas geeft een gevoel van warmte en geborgenheid; mijn dochter Dimphy heeft er de communie gedaan in 1980. De saamhorigheid en inzet van vrijwilligers is opmerkelijk, maar vooral dat er zo'n sterk appèl wordt gedaan op eigen verantwoordelijkheid. Hoe ben ik betrokken geraakt? Ik was indicatieadviseur bij het CIZ. Ik heb mijn werk altijd met veel plezier gedaan. Maar de vele veranderingen in de gezondheidszorg, de toenemende bureaucratie, de strakke protocollen, regels die vaak tegen mijn gevoel indruisten, ontnamen mij mijn arbeidsvreugde. Ik kon nog net op de valreep gebruik maken van de VUT, zij het dat ik nog zeer productief was. Ik werd oppas-oma bij mijn kleinkinderen. Nu dat niet meer nodig is, blijft toch de drang om iets te doen. Zo ben ik sinds kort - tip van een kennis - een van de gastvrouwen in de parochie. Samenwerken met hen aan de solidariteitsmaaltijd voor Serious Request vond ik heel fijn. Ik kom graag in een kerk, ook buiten de dienst om. Zit graag een tijdje in stilte, of fiets door de natuur naar Wittem om een kaarsje op te steken, voor rust en bezinning.

Een inspirerend persoon was voor mij de journalist en televisiepresentator Hanneke Groenteman; haar ontwapenende openheid en onafhankelijkheid raakten mij. Ik ben jong getrouwd; we hebben twee dochters. Zo gauw ik kon, heb ik in de zeventiger jaren de dagmavo gevolgd en mijn diploma gehaald; daarna de cursus Sociale Dienstverlening gedaan en HBO maatschappelijk werk. Het was de tijd van de vrouwenemancipatie, waarin Groenteman een grote rol speelde. Ook had ik grote bewondering voor mijn oud-docent Piet Meels; ik hoor nog zijn stem: wees wie je bent, wees jezelf! Ik vind het belangrijk om met elkaar te leven en van elkaar te leren. Goed luisteren naar de ander is wezenlijk en blijft voor mij een aandachtspunt. Het gedicht Luisteren van Buscaglia (zie hierna GB) is mij dierbaar en betekent voor mij daadwerkelijk geloven. Je wilt immers iets betekenen voor de ander, en omgekeerd, maar dan wel op deze manier.

Mijn levensles die ik graag deel is: we leren altijd! Iemand zei: "Zo gauw de vijf vingers van je hand even lang zijn, hoef je niet meer te leren." Mooi gezegd, vind je niet?

Je vraagt mij hoe ik tegen de dood aankijk? De dood hoort volgens mij bij het leven. Mijn vader is heel vredig gestorven. Het was zijn tijd en het was goed, zei hij. Zo denk ik ook.

Als ik mensen aan tafel zou mogen nodigen, zou dat Paul Witteman zijn; ik zou hem vragen over zijn geloofsbeleving; hij was toch heel kerkbetrokken in zijn jeugd, maar heeft nu de kerk verlaten. En Eline Claassens; haar zou ik vragen hoe zij het toch rooit: zorgen in haar gezin en betrokkenheid bij de parochie.

Als ik nog een tip mag geven? Laten we de Andreas optimaal en multifunctioneel benutten, zodat zij voor de gemeenschap blijft bestaan. Hier eindigt het gesprek met Connie; zij wil het stokje doorgeven aan Brigitte Vogt.

Geert Bles

Karin van Doormaal

"Als ik hen niet had ontmoet, was ik allang uit de kerk gestapt of een braaf kwezeltje geworden." Blijkens deze uitlating van Karin is de ontmoeting met een club inspirerende mensen heel bepalend geweest in haar leven. Ik krijg een bakje koffie, als ze mij een inkijkje geeft in haar levensverhaal. Ik luister:

Ik ben een Brabantse uit Haghorst, een klein dorp bij Hilvarenbeek; ik was een verlegen, onzeker kind dat op school werd gepest. Van huis uit ben ik heel nuchter. Mijn man was jurist en zo ben ik in Limburg terechtgekomen. Ik ben toen de studie rechten gestart, omdat dit blijkbaar bij me paste. Toen ik alleenstaande werd, ben ik in het parochiehuis komen wonen. Ik heb veel secretariaatswerk gedaan. Nu ben ik o.a. vicevoorzitter van het parochiebestuur. Typisch Andreas vind ik dat diaconie voorop staat, dus dat de kerk een opdracht heeft in de wereld, maar vooral ook dat het een kerk is van onderop; d.w.z. dat de gemeenschap een stem heeft en verantwoordelijkheid draagt. Mijn betrokkenheid bij de kerk is begonnen tijdens mijn werk in het dekenaal centrum in Tilburg (1980-1989); ik ben daar gegroeid en gevormd als persoon, maar ook in mijn kerkbeeld. Daar leerde ik vraagtekens te zetten bij veel vanzelfsprekendheden en zelf keuzes te maken, ook binnen de kerk.

Een lied dat me lief is, is de voorbede 'Gij die geroepen hebt licht' en daarin vooral de bede 'vluchtelingen, vreemdelingen, wees niet niemand'; bij die woorden komen bij mij - nuchterling - toch de tranen.

Een mooi moment in de parochie was het enthousiasme dat ontstond toen het voortbestaan van de kerk bedreigd werd in 2014. De emoties van mensen die zeiden 'waar moeten we anders naar toe?' waren voor mij aanleiding om energie te steken in het behoud van deze kerk.

Er zijn mensen die mij geïnspireerd hebben; maar ik denk daarbij niet zozeer aan één specifiek iemand, wel aan het pastorale team van het dekenaal centrum in Tilburg. Als ik hen niet had ontmoet, was ik allang uit de kerk gestapt of was ik een braaf kwezeltje geworden. Je vraagt me, wat geloven voor mij betekent. Ik moet bekennen, dat ik daar niet zo goed raad mee weet; ik krijg geen tips van boven; ik kijk liever om me heen hier beneden op deze aardbol en probeer iets te betekenen voor de ander. Met de dood ben ik niet zo bezig, ofschoon het bij ons thuis wel bespreekbaar was. Doodgaan lijkt me moeilijker dan dood zijn. Wat erna is? Weet jij het? Wel weet ik dat we nu moeten werken aan de hemel hier op aarde. Een levensles, die ik zou willen delen is deze: 'Hou je idealen hoog, ook al komen ze niet altijd uit'. Ik denk aan de val van de Muur in 1989; toen dacht ik eerlijk dat we de hemel op aarde zouden krijgen.

Als je mij de gelegenheid biedt om drie mensen aan tafel te vragen, dan zou ik kiezen voor een wat vreemd trio: Mark Schaffrath van Schoon GMS, koning Willem Alexander, en Shirin Ebadi, een juriste uit Iran, die de Nobelprijs kreeg voor haar strijd voor mensenrechten. Omdat ik nieuwsgierig ben: bij Mark: waarom ben je daar in gestapt, je had het toch goed? bij de koning: je beroep/loopbaan stond al van kinds af aan vast, wat doet dat met je als mens? bij Shirin: je leven loopt gevaar, waarom ga je toch door? Bij vrijwilligers boeit me altijd de vraag: waarom is hij/zij actief geworden in de parochie?"

Hier eindigen wij ons gesprek, maar het is vanwege die laatste vraag dat Karin het stokje graag wil doorgeven aan Connie Rutten, de nieuwe gastvrouw in de Andreas.

Geert Bles